| Plan: | TAM-omgevingsplan Buitengebied Woudrichem Herstelplan 2024 |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1959.BuiBP183TAMBuWoHer-ON01 |
Als gevolg van de gerechtelijke uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 13 september 2023 met zaaknummer 202105280 ten aanzien van het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem herziening 2018' dient voor twee onderdelen een herstelplan te worden opgesteld.
Dit betreft een bestaand agrarisch bouwvlak aan de Gantelweg 20, dat op basis van reeds bestaande planologische mogelijkheden dient te worden uitgebreid. Daarnaast dient voor een vijftal ligplaatsen in de afgedamde Maas ter hoogte van Hoge Maasdijk 1-7 vanwege de situering binnen een alsnog van kracht gebleven geluidszone industrie van het westelijk gelegen bedrijventerrein een nieuwe planologisch-juridische regeling te worden opgesteld.
Omdat de rechter een einduitspraak heeft gedaan en geen zogenoemde bestuurlijke lus heeft toegelaten, moet het herstelbesluit genomen worden onder het nieuwe wettelijke regime van de Omgevingswet.
Om de nieuwe juridisch-planologische regeling voor bovenstaande onderdelen te borgen is een wijziging van het gemeentelijk Omgevingsplan noodzakelijk. Aangezien een wijziging van het gemeentelijk Omgevingsplan via het nieuwe Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) nog niet mogelijk is, wordt de voorgestane wijziging van het omgevingsplan in de vorm van een TAM-omgevingsplan. 'TAM' staat voor Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Met een TAM-omgevingsplan is het mogelijk om met de voormalige IMRO-standaard voor bestemmingsplannen en bijbehorende software het omgevingsplan te wijzigen.
Dit TAM-omgevingsplan is dus opgesteld op basis van de IMRO-standaard voor bestemmingsplannen. Juridisch is het een wijziging van het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan wordt een apart hoofdstuk van het tijdelijke omgevingsplan. Uiteindelijk zal het verwerkt worden in het definitieve omgevingsplan van de gemeente.
Onderhavige motivering is opgesteld ter onderbouwing van het te nemen wijzigingsbesluit.
Het plangebied voor de voorgestane wijziging van het omgevingsplan heeft betrekking op twee deelgebieden. Dit betreft de locatie aan de Gantelweg 20 te Almkerk in het zuidwesten van de gemeente en daarnaast een 5-tal ligplaatsen voor schepen in de afgedamde Maas ter hoogte van Hoge Maasdijk 1 - 7 te Woudrichem in het noordoosten van de gemeente, zie voor globale situering onderstaande afbeelding.
Uitsnede topografische kaart globale situering deelgebieden, Gantelweg 20 te Almkerk (rood omcirkeld) en ligplaatsen nabij Hoge Maasdijk 1-7 te Woudrichem (geel omcirkeld).
De begrenzing van het deelgebied A: Gantelweg 20 omvat het voormalige agrarische bouwvlak, met een omvang van ca. 6.100 m2. Dit deelgebied betreft delen van de kadastrale percelen ( nr. 2147 en nr. 2233, sectie E Woudrichem).
Het deelgebied in de afgedamde Maas (deelgebied B) betreft een 5 - tal afzonderlijk begrensde ligplaatsen, die zijn gelegen binnen het kadastraal perceel nr. 2607, sectie H Woudrichem.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Altena van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Altena. In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen.
Aangezien de opgenomen regeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem herziening 2018', zoals vastgesteld op 20 april 2021 voor onderhavig plangebied niet van kracht is geworden gelden binnen het plangebied de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem', zoals vastgesteld op 21 juni 2011, van de voormalige gemeente Woudrichem.
Deelgebied Gantelweg 20
Voor de Gantelweg 20 geldt de agrarische gebiedsbestemming 'Agrarisch-2', met de nadere aanduiding. 'bouwvlak' en de functie aanduiding 'grondgebonden veehouderij', zie ook navolgende figuur. Gronden zijn onder meer bestemd voor agrarisch gebruik, waarbij binnen het bouwvlak een grondgebonden veehouderij mag worden uitgeoefend. Daarnaast is op basis van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 14' een nevenactiviteit in de vorm van 'loonbedrijf' ter plaatse toegestaan. Op de gronden is daarnaast de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 7'opgenomen ter behoud en bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem', deelgebied Gantelweg 20
Daarnaast gelden voor de gronden nog enkele algemenere gebiedsaanduidingen, te weten 'Wro-zone - aanlegvergunning inundatiegebied', 'wro-zone - aanlegvergunning openheid' en voor het uiterst westelijk deel van het bouwvlak 'wro-zone wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen'.
Ter plaatse is het beleid gericht op behoud en versterken van de herkenbaarheid van het inundatiegebied van de Nieuwe Hollandse waterlinie (wro-zone - aanlegvergunning inundatiegebied), behoud en bescherming van de landschappelijke openheid en doorzichten (wro-zone - aanlegvergunning openheid) en verbetering en herstel van het natuurlijke watersysteem van bovenregionaal belang (wro-zone - wijzigingsgebied zoekgebied watersystemen).
Als gevolg van het vastgestelde paraplubestemmingsplan Archeologie (vastgesteld 7 februari 2023) gelden voor de gronden een nieuwe archeologische dubbelbestemming ('Waarde - Archeologie 4d'), conform de geactualiseerde gemeentelijk archeologische beleidskaart. Daarnaast hebben enkele aanvullingen in de generieke planregels plaatsgevonden als gevolg van de vastgestelde paraplubestemmingsplannen 'Wonen' (vastgesteld 19 november 2019), 'Beleidsharmonisatie' (vastgesteld 27 september 2022), en 'Ontplofbare oorlogsresten' (vastgesteld 26 maart 2024).
Deelgebied Ligplaatsen Afgedamde Maas
Voor de gronden ter plaatse van de Afgedamde Maas is overeenkomstig het alhier geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem' de bestemming 'Water' van toepassing. Gronden zijn onder meer bestemd voor water en waterhuishoudkundige doeleinden, zie ook navolgende figuur. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waterstaat - stroomvoerend rivierbed' van toepassing als gevolg van de situering binnen het rivierbed van de Afgedamde Maas. Betreffende gronden zijn medebestemd voor afvoer van rivierwater. Bovendien zijn de ligplaatsen gelegen binnen de opgenomen 'geluidzone - industrie'. Binnen deze 50 dB(A) zone behorende bij het industrieterrein is oprichting van nieuwe geluidsgevoelige objecten niet toegestaan. Als gevolg van de deels binnen het plangebied gelegen 'Vrijwaringszone - molenbiotoop 5' gelden hoogtebeperkingen ter bescherming en instandhouding van de belangen van de bestaande molen (Nooit Gedagt; Rijkswal 7) in Woudrichem. Ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - aanlegvergunning schootsveld' is het beleid gericht op behoud en versterken van de herkenbaarheid van het schootsveld uit oogpunt van cultuurhistorische waarden.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem' , deelgebied Afgedamde Maas
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en het planvoornemen omschreven. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen nader gemotiveerd. In hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.
Deelgebied Gantelweg 20
Aan de Gantelweg 20 is reeds decennia lang een veehouderij met runderen en schapen gevestigd. Daarnaast wordt ter plaatse als nevenactiviteit een loonbedrijf uitgeoefend.
Het bouwplan paste destijds in het op dat moment van kracht zijnde bestemmingsplan 'Buitengebied 1997'. Bij de vaststelling van het nog geldende bestemmingsplan Buitengebied (2011) was het bouwvlak ter plaatse op basis van feitelijk gebruik verkleind ten opzichte van het voorheen van kracht zijnde bestemmingsplan Buitengebied 1997.
Hierbij was abusievelijk geen rekening gehouden met de op 25 juni 2010 vergunde en reeds opgerichte nieuwe werktuigenloods, die daardoor grotendeels buiten het bouwvlak is gesitueerd.
Uitsnede voorheen geldend bestemmingsplan 'Buitengebied 1997' van de voormalige gemeente Woudrichem (links) alsmede het huidig geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem' (rechts) met de planlocatie omcirkeld
In het bestemmingsplan 'Herziening Woudrichem 2018' was weliswaar het bouwvlak iets verruimd, waarmee de vergunde loods binnen het bouwvlak werd gesitueerd. Omliggende gronden, die echter eveneens nog werden benut voor agrarische doeleinden (waaronder opslag) en grotendeels zijn verhard maakten geen onderdeel uit van het opgenomen bouwvlak, in tegenstelling tot het eerdere bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 1997'.
Uitsnede deels vernietigd bestemmingsplan 'Herziening Woudrichem 2018'
Dit deelgebied betreft een agrarische bedrijfslocatie, waar een veehouderij (met schapen en runderen) is gevestigd met een loonbedrijf als nevenactiviteit. Op de planlocatie bevindt zich aan de westzijde een bedrijfswoning met achterliggend bijgebouw. De bedrijfsgebouwen bevinden zich op het oostelijk deel van de planlocatie en bestaan uit een 3-tal bedrijfsgebouwen, ten behoeve van veestalling en werktuigenberging. Ten behoeve van de ontsluiting van deze bedrijfsgebouwen en achterliggende agrarische gronden is het erf rondom de bebouwing grotendeels verhard met betonplaten. Aangrenzende gronden zijn in gebruik als grasland. Ontsluiting vindt plaats met 2 inritten aan de Gantelweg.
De planlocatie wordt aan de westzijde begrensd door de Gantel. Daarnaast bevindt zich een burgerwoning op ca. 50 meter afstand. Aan de zuidoostzijde bevindt zich de historische lintbebouwing van de Gantelweg in de vorm van diverse burgerwoningen als uitloper van de bebouwde kom van Uppel.
Deelgebied ligplaatsen Afgedamde Maas
Dit deelgebied betreft een vijftal ligplaatsen in de Afgedamde Maas ter hoogte van het bedrijventerrein aan de Hoge Maasdijk 1-7 te Woudrichem, waarvoor Rijkswaterstaat vergunningen heeft afgegeven.
Deelgebied Gantelweg 20
Het agrarisch bouwvlak is conform de uitspraak van de Raad van State in dit herstelplan gebaseerd op het voorheen geldend bestemmingsplan 'Buitengebied 1997', zodat de planologisch -juridische regeling overeenkomt met de feitelijke en vergunde situatie alsmede de bestaande planologische rechten op basis van het voorheen geldend bestemmingsplan 'Buitengebied 1997'.
Uitsnede luchtfoto met globale begrenzing bouwvlak
Hiertoe is het agrarisch bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Herziening Woudrichem 2018' conform het eerdere bestemmingsplan 'Buitengebied 1997' ca 17,5 meter in noordelijke richting verruimd, zodat de in 2010 reeds opgerichte loods alsmede achterliggend deels verhard terrein tbv opslag van materiaal en materieel binnen het bouwvlak is gesitueerd, totale oppervlakte beoogd bouwvlak ca. 6130 m2. Daarnaast zijn alle overige geldende aanduidingen en regelingen uit het bestemmingsplan 'Herziening Woudrichem 2018' overgenomen
Uitsnede verbeelding beoogd bouwvlak Herstelplan, deelgebied Gantelweg 20 en vergelijking met bouwvlak Bp Buitengebied (2011; blauw gemarkeerd) en bouwvlak Bp Buitengebied Herziening 2018 (roze gemarkeerd)
Deelgebied ligplaatsen afgedamde Maas
Voor de regeling van het vijftal ligplaatsen in de Afgedamde Maas heeft de gemeente navolgende uitgangspunten:
Op basis van de verleende vergunningen van Rijkswaterstaat, de resultaten van het nader uitgevoerd akoestisch onderzoek, afstemming met belanghebbenden en met inachtneming van de bestaande situatie stelt de gemeente voor om een drietal ligplaatsen voor woonschepen te faciliteren en nader te borgen, te weten ligplaats 1, 3 en 4. Ligplaats 2 en 5 mogen uitsluitend voor tijdelijk afmeren worden gebruikt.
In deze planwijziging is conform bovenstaande de feitelijke en door Rijkswaterstaat vergunde situatie nader geborgd, middels een regeling voor de steiger bij ligplaats 5 ('stp'), een vijftal pontons ('pont'), een drietal ligplaatsen voor tijdelijk afmeren ('lp 2'; ter hoogte van ligplaats 2 en 5 (aan weerszijden)) en een drietal ligplaatsen voor woonschepen ('lp 1'; ter hoogte van ligplaats 1, 3 en 4), zie ook navolgende afbeelding.
Uitsnede verbeelding, deelgebied Afgedamde Maas
Iedere verandering van de ligplaatsen, zoals een ander schip of gebruiker, gemeld dient te worden bij Rijkswaterstaat. Er zal vervolgens getoetst worden aan het Binnenvaartpolitiereglement en de Richtlijn Vaarwegen of een nieuwe Rws-vergunning kan worden verleend. Nieuwe aanvragen voor woonboten zullen op grond van de Richtlijn vaarwegen niet worden toegestaan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.
De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Beoordeling
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Gelet op bovenstaande is het planvoornemen niet strijdig met de uitgangspunten uit het NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen instructieregels, waaronder :
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
De instructieregels van het Rijk werken door in het provinciale en gemeentelijk beleid. Deze instructieregels maken tevens onderdeel uit van het kader waaraan de aspecten van de leefomgeving getoetst moeten worden (Hoofdstuk 4). Hieruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de kaders uit deze AMvB's.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Ladder voor duurzame stedelijk ontwikkeling is opgenomen als een instructieregel voor het Omgevingsplan, specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een Omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het Omgevingsplan rekening gehouden met:
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Bij het bepalen of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet beoordeeld worden in hoeverre er sprake is van een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en/of een functiewijziging. Het beoogde en huidige planologische regime moeten daarbij met elkaar vergeleken worden. De kwantitatieve én kwalitatieve behoefte van de ontwikkeling moet worden bepaald op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Bij nieuwbouw en uitbreiding van bedrijven ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m2. Voor ontwikkelingen van een terrein ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een ruimtebeslag van 500 m2.
Planspecifieke beoordeling
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
De in het plan voorziene ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als omschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Er is geen sprake van een ladderplichtige ontwikkeling in de context van de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
De Laddertoets is voor het beoogde voornemen niet van toepassing en vormt hierdoor geen belemmering.
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde Rijksinstructieregels. De planwijziging is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende wijziging.
Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' met bijbehorende PlanMER vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in het jaar 2050 uit zou moeten zien. En waar de provincie in het jaar 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie benoemt daarbij een aantal hoofdopgaven:
De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. Gesteld wordt dat gemeenten de eerstverantwoordelijken zijn waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk weggelegd. Gemeente en waterschappen moeten een eigen invulling geven aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Gelet op bovenstaande wordt het onderhavige plan passend geacht binnen de in de Omgevingsvisie Noord-Brabant gestelde doelen.
De Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 1 januari 2024 in werking getreden en is een planologische verordening waarin eisen gesteld worden aan op te stellen ruimtelijke plannen. Deze verordening vormt een direct toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. In deze interim omgevings-verordening zijn de bestaande regels over de fysieke leefomgeving in één verordening onder gebracht. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de omgevingsvisie. De regels sluiten aan bij het diep, rond en breed kijken uit de omgevingsvisie., maar zijn ook gebaseerd op overig vastgesteld beleid zoals de doelen en ambities voor duurzame energie uit de Energie-agenda of bij de uitwerking van beleid in het Regionaal Water- en Bodem Programma.
De instructieregels voor het Omgevingsplan in hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad (of in een voorkomend geval het college van burgemeester en wethouders) de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een (wijziging van het) Omgevingsplan.
De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Voor het overige is de geldende planologische regeling overgenomen, waaronder de beschermingsregeling in relatie tot de Nieuw Hollandse Waterlinie alsmede vanwege de situering binnen het rivierbed en in het kader van de zorgvuldige veehouderij voor uitbreiding van dierenverblijven.
Gelet op bovenstaande wordt onderhavige planwijziging passend geacht binnen de voorwaarden die gesteld worden in de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
In de in december 2023 vastgestelde omgevingsvisie laat de gemeente zien waar ze naar toe wil in de toekomst.
Uitsnede Omgevingsvisie
Deelgebied A maakt onderdeel uit van het Buitengebied, terwijl deelgebied B onderdeel uitmaakt van de Uiterwaarden.
De hoofdopgave voor het buitengebied is: de juiste functie op de juiste plek stimuleren en realiseren, aansluitend bij het natuurlijk systeem en de gebiedskwaliteiten. De agrarische sector speelt een belangrijke rol in het (sociaal) vitaal houden en beheren van het buitengebied.
De primaire functie van de uiterwaard is waterhuishoudkundig. Daarnaast zijn in de gemeente op meerdere locaties uiterwaarden heringericht ten behoeve van waterberging en natuurontwikkeling. De uiterwaarden worden ook gebruikt voor recreatie. De uiterwaarden worden in de toekomst multifunctioneel ingezet: een combinatie tussen waterberging, agrarisch gebruik, natuur en kleinschalige recreatieve mogelijkheden, zoals strandjes, aanlegsteigers en havenrecreatie. Bij inrichting van buitendijkse gebieden is de veiligheid voor inwoners medebepalend, naast natuur en extensieve recreatie.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Onderhavige planwijziging wordt derhalve passend geacht binnen de gemeentelijke Omgevingsvisie.
In deze visie uit 2016 beschrijft de voormalige gemeente Woudrichem de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitendijks gebied langs de Boven-Merwede en Afgedamde Maas. De visie fungeert niet als uitvoeringsprogramma, maar als een toetsingskader met een bepaalde bandbreedte.
Deelgebied B van onderhavig plangebied maakt evenals het aangrenzende bedrijventerrein onderdeel uit van de zo benoemde paarse koers. De paarse koers is bedoeld voor het herbergen van economische watergebonden activiteiten in brede zin; waaronder begrepen toeristisch-recreatieve functies. De (ruimtelijke) kwaliteit van het gebied kan worden verbeterd door de relatie met het water te versterken. Primair belang in het gebied is de waterveiligheid. Ontwikkelingen mogen de natuur (NNB en Natura-2000) niet schaden. De bestaande bedrijvigheid mag door nieuwe functies niet worden beperkt.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Uit het nader uitgevoerd akoestisch onderzoek, zie ook paragraaf 4.4 van deze motivering blijkt dat er geen sprake is van een extra belemmering van het bestaande bedrijventerrein.
Gelet op bovenstaande wordt onderhavige planwijziging passend geacht binnen het gemeentelijk beleid.
Bij de realisering van onderhavig planvoornemen moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk zal elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten, dient ook rekening te worden gehouden met o.a. geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties.
Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen te krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd te worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.
Onder de Omgevingswet kan een bepaalde mate van gebruiksruimte per bedrijf worden toegestaan, welke wordt opgenomen in het Omgevingsplan. In het Omgevingsplan van de gemeente zijn echter nog geen zoneringen in de vorm van interactieve kaarten opgenomen.
Om (toch) aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in deze paragraaf de Bedrijven- en milieuzonering via de methode van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) getoetst.
In de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Met het voornemen vindt in deelgebied A (Gastelweg) een uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwvlak plaats. Ter plaatse is een veehouderij gevestigd, alwaar nog schapen en enkele runderen worden gehouden. In de omgeving van het deelgebied bevinden zich ten zuiden van het deelgebied enkele bestaande burgerwoningen. De omliggende, bestaande woonbestemmingen van Gantelweg 16, 18 en 19 bevinden zich op ca 45 - 48 meter afstand van het agrarisch bouwvlak, zie ook afbeelding in navolgende paragraaf 4.2 Geur). Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden voor geluid, stof en gevaar voor het fokken en houden van rundvee. De woonbestemmingen bevinden zich echter nipt binnen de 50 m afstand van het agrarische bouwvlak, derhalve heeft een nadere beoordeling op het aspect geur plaats gevonden, zie paragraaf 4.2.
De voorgenomen uitbreiding conform eerdere planologische rechten vindt plaats in noordelijke richting. Het herstelplan verandert de overlap van de vaste-afstandscontour met omliggende woningen niet. De geurnorm wordt niet overschreden en in de omgeving is er sprake van een 'redelijk goed' tot 'zeer goed' woon- en leefklimaat. De uitbreiding van het bouwvlak kan alleen resulteren in een verbetering van de huidige situatie.
Daarnaast worden met het voornemen in deelgebied B enkele bestaande, vergunde ligplaatsen hernieuwd planologisch geborgd. Ligplaats 1, 3 en 4 hebben betrekking op woonschepen. Als gevolg van een gerechtelijke uitspraak is de bestemming van het aangrenzende bedrijventerrein, inclusief geluidscontour weer van kracht geworden. Op het bedrijventerrein mogen een bouwnijverheidsbedrijf en een aannemersbedrijf zijn gevestigd.
Aangezien de ligplaatsen zijn gesitueerd binnen de weer herleefde geluidscontour van het aangrenzende bedrijventerrein heeft een nader akoestisch onderzoek plaats gevonden, waarin is geconcludeerd dat de voorgenomen 3 (geluidgevoelige) ligplaatsen, in de vorm van woonschepen, mogelijk zijn en niet leiden tot een belemmering voor het aangrenzende bedrijventerrein, zie ook paragraaf 4.4 Geluid. Voor de ligplaatsen dient wel een besluit tot het vaststellen van hogere waarden conform de Wet geluidhinder te worden genomen. Het ontwerp Hogere grenswaardenbesluit zal tegelijk met dit ontwerp Tam-omgevingsplan worden gepubliceerd.
Daarnaast gelden op basis van VNG bedrijven en milieuzonering richtafstanden voor geur, gevaar en stof van respectievelijk 10 en 30 meter. Ligplaatsen 3 en 4 bevinden zich op meer dan 30 meter van de bedrijventerrein bestemming en voldoen daar mee aan de gestelde richtafstanden. Ligplaats 1 bevindt zich echter op slechts 18 meter van het bedrijfsbestemmingsvlak. Deze gronden zijn momenteel niet bedrijfsmatig in gebruik, slechts als groenvoorziening. De feitelijke bedrijfsvoorzieningen zijn gelegen op ca. 50 meter afstand. Daarnaast is op 40 meter afstand van de ligplaats momenteel een afschermende wand gesitueerd. Op basis van de nieuwe Omgevingswet en bijbehorende Bkl en Bal gelden onder andere voor stof aanvullende regels, dat deze niet buiten de inrichting van milieubelastende activiteit mogen plaats vinden. Gelet op bovenstaande leidt het voornemen niet tot extra belemmering van de planologisch toegestane bedrijfsactiviteiten en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de ligplaatsen voldoende geborgd.
Wettelijk kader
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’).
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.
In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.
Toetsing
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
In deelgebied A wordt het geldend agrarisch bouwvlak aan de Gantelweg 20 in noordelijke richting uitgebreid, conform het voormalige bestemmingsplan 'Buitengebied 1997'. Volgens het KRD (mei 2025) is er aan de Gantelweg 20 een vergunning (2018) voor het houden van koeien, vleesvee en schapen (zie onderstaande tabel). Deze dieren hebben een geuremissie, zie onderstaande tabel.
| RAV/OR-code vergund | Diercategorie omschrijving | Aantal dieren | Geuremissie (OUE/s) |
| A2.100 | Zoogkoeien van 2 jaar en ouder (incl ongespeendde kalveren) | 10 | 0 |
| A3.100 | Vrouwelijk jongvee jonger dan 2 jaar, fokstieren jonger dan 2 jaar | 10 | 0 |
| A6.100 | Overig vleesvee vanaf spenen en jonger dan 2 jaar | 5 | 178 |
| B1.100 | Schapen van 1 jaar en ouder (incl lammeren) | 100 | 780 |
Vaste afstanden
Voor de zoogkoeien en het vrouwelijk jongvee/fokstieren gelden vaste afstanden. De locatie ligt in het buitengebied, buiten de bebouwingscontour. Voor de locatie geldt een vaste afstand van 50 m.
Geuremissiefactoren
Voor het vleesvee en de schapen gelden geuremissiefactoren. De locatie ligt niet binnen een van de gebieden genoemd in de gemeentelijke geurverordening1. Voor de omliggende geurgevoelige functies geldt daarom een geurnorm van 8 OUE (niet-concentratiegebied, buitengebied). De geurbelasting en contour is vastgesteld met een berekening in V stacks vergunning. Invoergegevens voor de veehouderij zijn op basis van het KRD (mei, 2025) . De emissieparameters voor de geurberekening zijn weergegeven in onderstaande tabel.
| X | Y | EP-hoogte |
Gem Gebhooogte |
EP diameter | EP uittree | Evergund |
| 123647 | 422363 | 6 | 6 | 0,5 | 4 | 958 |
In de huidige situatie overlapt de vaste afstandscontour voor een zeer klein gedeelte met de woonbestemmingen van Gantelweg 16, 18 en 19. De geurbelasting berekend op basis van geuremissiefactoren is op de omliggende verblijfsobjecten laag met een maximale waarde van 1 OUE/m3. Dit is ver onder de geurnorm van 8 OUE. De maximale geurbelasting in de omgeving bedraagt 2,9 OUE/m3 (naast emissiepunt).
De aanpassing van het bouwvlak betreft een uitbreiding in noordelijke richting, cf bestaande rechten. Het bouwvlak wordt niet vergroot in de richting van de omliggende woningen. Daardoor verandert de overlap van de vaste-afstandscontour met de woonbestemmingen van Gantelweg 16,18 en 19 niet (zie onderstaand figuur).
Het emissiepunt waarmee de geurbelasting uit de geuremissiefactoren is berekend ligt op de zuidelijke rand van het bouwvlak (het dichtbijgelegen ten opzichte van de omliggende woningen). Hoewel het in dit herstelplan niet is toegestaan om de bebouwde oppervlakte van dierenverblijf voor een veehouderij uit te breiden (zie regels), mag het emissiepunt wel worden verplaatst. Met de uitbreiding van het bouwvlak is het gebied waarnaartoe het emissiepunt kan worden verplaatst, vergroot. De uitbreiding van het bouwvlak in noordelijke richting kan echter geen toename van geurbelasting op omliggende woningen tot gevolg hebben. In de huidige situatie is er namelijk sprake van een worst-case (emissiepunt op korte afstand van omliggende woningen). Een verschuiving van het emissiepunt in noordelijke richting zal resulteren in grotere afstand tussen het emissiepunt en de omliggende woningen en daarmee een afname van de geurbelasting (zelfde ruwheid). Ter illustratie is in onderstaande figuur de 1 OU contour ('goed' woon- en leefklimaat) om het bouwvlak van 2011 en het bouwvlak uit het herstelplan 2024 getrokken. Hieruit wordt duidelijk dat er geen verandering plaatsvindt voor de omliggende woonbestemmingen.
In de huidige situatie is er op basis van de geuremissiefactoren sprake van een 'zeer goed' tot 'goed' woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen (0,2 tot 0,9 OUE/m3) . In de omgeving is de maximale geurbelasting van Gantelweg 20 2,9 OUE/m3. Dit komt overeen met een "redelijk goed' woon- en leefklimaat.
Het herstelplan verandert de overlap van de vaste-afstandscontour met omliggende woningen niet. De geurnorm wordt niet overschreden en in de omgeving is er sprake van een 'redelijk goed' tot 'zeer goed' woon- en leefklimaat. De uitbreiding van het bouwvlak kan alleen resulteren in een verbetering van de huidige situatie. Geur vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het herstelplan.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
Als gevolg van voorliggend planvoornemen kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), paragraaf 5.1.4 .
In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van onderhavig plan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het plan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met innachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Er zijn geen fysieke ingrepen beoogd.
De voorgenomen planwijziging is hierdoor aan te merken als NIBM.
Uit gegevens van de atlas leefomgeving blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de locatie niet overschreden worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat met betrekking tot de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Aan de hand van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen vormt voor de onderhavige planwijziging.
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting betreft in de Omgevingswet een afweging die de gemeente zelf moet maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan.
Landelijk gezien bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geluidregels voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden de regels via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het Omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.
Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl) van een weg, spoorweg of industrieterrein.
Als gevolg van de vernietiging van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hoge Maasdijk 2018' is de oorspronkelijke geluidscontour, zoals ook opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied, gemeente Woudrichem' weer herleefd. De vijf planologisch nader te borgen vergunde ligplaatsen zijn gelegen binnen deze geluidcontour. Derhalve is een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of ter plaatse van de ligplaatsen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of planologisch borging van deze ligplaatsen niet leidt tot belemmeringen van het naast gelegen bedrijventerrein. De rapportage van het uitgevoerde akoestisch onderzoek is als Bijlage 1 bij deze motivering opgenomen.
Uit de resultaten van de rapportage blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de 4 noordelijke ligplaatsen op basis van de planologisch maximale situatie weliswaar hoger is dan 50 dB(A) en dus de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, maar lager is dan 55 dB(A) en dus niet de maximale ontheffingswaarde overschrijdt. Ter plaatse van de meest zuidelijke ligplaats wordt de maximale ontheffingswaarde wel overschreden en is derhalve ter plaatse geen nieuwe geluidsgevoelige bestemming in de vorm van een woonschip, mogelijk. Ter plaatse van de 4 noordelijkste ligplaatsen kan door middel van een hogere waarde procedure een geluidgevoelige bestemming mogelijk worden gemaakt. Eventuele maatregelen als een hoog en lang geluidscherm (of dito geluidwal) zij financieel en met name landschappelijk c.q. stedenbouwkundig niet wenselijk noch realistisch. Gelet op het feit dat het binnenniveau van een woonschip voldoet aan 35 dB(A) is er akoestisch gezien geen bezwaar tot het verlenen van een hogere waarde tot ten hoogste 55 dB(A).
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen 3 (geluidgevoelige) ligplaatsen, in de vorm van woonschepen, mogelijk zijn. Voor de ligplaatsen dient wel een besluit tot het vaststellen van hogere waarden conform de Wet geluidhinder te worden genomen. Hiertoe zal gelijktijdig met dit ontwerp TAM-omgevingsplan het ontwerp Besluit Hogere grenswaarden Geluid ter inzage worden gelegd, waar iedereen een zienswijze tegen kan indienen. Volledigheidshalve is dit ontwerp besluit hogere grenswaarden ook als Bijlage 3 bij de motivering opgenomen.
Gelet op bovenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor het planvoornemen.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Er zijn geen fysieke ingrepen beoogd.
In de directe omgeving van het plangebied is geen pluimvee- of varkenshouderij gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen een endotoxinencontour. In de directe omgeving van het plangebied is geen geitenhouderij gelegen.
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect gezondheid geen belemmeringen voor de beoogde planwijziging.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel bezien dient te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Er zijn geen fysieke ingrepen beoogd.
Gelet op het vorenstaande vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de beoogde planwijziging.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke Rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Vanuit het aspect water is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.
Plaatsgebonden risicocontour
Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.
Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: Groepsrisico
Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met innachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Het voornemen heeft uitsluitend in deelgebied B betrekking op een gevoelige functie (woonschip): ter plaatse van ligplaats 1, 3 en 4. Deze ligplaatsen zijn echter op basis van de Atlas van de leefomgeving niet gelegen binnen een 10-6 risicocontour danwel een aangeduid brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied.
Het agrarisch bouwvlak van deelgebied A is wel gelegen binnen het gifwolkaandachtsgebied, maar hier wordt met dit herstelplan geen gevoelige functie toegevoegd.
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is ter plaatse van het plangebied geen sprake van een belemmering van de evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
In de Omgevingswet is vastgelegd dat voorafgaande aan een besluit of plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. In een milieueffectrapport worden de effecten van en plan of project op het milieu beschreven.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r. procedure. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Als een plan kaderstellend is voor de projecten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, maar niet boven de drempelwaarde van kolom 2 uitkomen, moet een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden.
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Er worden geen feitelijke, nieuwe activiteiten ondernomen. Er is geen sprake van een project / activiteit waarvoor op grond van het OmgevingsBesluit een m.e.r. beoordeling noodzakelijk is.
Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in bijlage III van de Europese Richtlijn m.e.r. (Richtlijn 2011/92/EU). In de hoofdstukken 3 en 4 van de toelichting is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden.
In de overige paragraven van hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten.
De voorgenomen planwijziging kan vanwege de aard, omvang, situering en potentiële effecten (zoals nader beschreven in voorliggend hoofdstuk) geen aanzienlijke milieueffecten vooroorzaken die een nadere m.e.r.-beoordeling wenselijk of noodzakelijk maken.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan.
Momenteel vormt het beschermingsregime zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Archeologie' uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan het toetsingskader binnen de gemeente. Het plangebied is hierin voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4a' (deelgebied 2, Afgedamde Maas) respectievelijk 'Waarde-Archeologie 4d' (deelgebied 1, Gantelweg 20). Betreffende gronden zijn mede aangewezen voor de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van gronden met een middelhoge verwachting.
Met het planvoornemen zijn geen fysieke bodemingrepen beoogd. De geldende archeologische beschermingsregeling blijft van toepassing. Voor uitvoering van fysieke bodemingrepen met een omvang van meer dan 500 m2 dient een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet ook met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft hiertoe in haar Omgevingserordening cultuurhistorisch waardevolle gebieden aangeduid. Deze gebieden verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten.
Zowel deelgebied A als deelgebied B maken onderdeel uit van de cultuurhistorisch waardevol aangemerkte Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het beleid is hier gericht op het behoud, het herstel of duurzame ontwikkeling van de uitzonderlijke universele waarde van dit werelderfgoed. Er mogen geen bouw- of gebruiksactiviteiten mogelijk worden gemaakt, die de uitzonderlijke universele waarde van dit erfgoed aantasten.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Er zijn geen fysieke ingrepen beoogd. De huidige planologische beschermingsregeling van het werelderfgoed blijft voor de planlocatie van toepassing.
De planlocatie maakt conform de provinciale cultuurhistorische waardenkaart geen onderdeel uit van een overig waardevol historisch geografisch vlak.
Binnen het plangebied is geen bebouwing van (rijks-) monumentale waarde gelegen. Er bevinden zich ook geen andere cultuurhistorische elementen die mogelijk 'aangetast' zouden kunnen worden met het voorgenomen initiatief.
Gelet op bovenstaande vormt het aspect cultureel erfgoed geen belemmering voor het planvoornemen.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen dier- en plantensoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en indien aanwezig, welke soorten dat zijn.
Ten behoeve van de voorgenomen wijziging is derhalve een quickscan natuur uitgevoerd, die als Bijlage 2 bij deze motivering is opgenomen. Uit deze quickscan blijkt dat in de plangebieden mogelijk verschillende soorten voor komen die zijn beschermd onder paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, onderdeel van de OW, of soorten die staan op de Rode Lijst. Het is uit te sluiten dat in de plangebieden beschermde flora, vlinders, kevers, vissen en reptielen voorkomen. Voor alle aanwezige soorten in de plangebieden gelden de zorgplichten.
Soorten van paragraaf 11.2.2 van het Bal
De bestemmingsplanwijziging zal de vogels niet verstoren, de bebouwing en vegetatie worden behouden.
Soorten van paragraaf 11.2.3 van het Bal
Vleermuizen kunnen de plangebieden gebruiken als foerageergebied. De woning in plangebied A (Gantelweg 20) biedt geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De rivier in plangebied B (Afgedamde Maas) kan functioneren als vliegroute voor vleermuizen. De planwijziging heeft geen negatief effect op de functies die de plangebieden kunnen hebben voor vleermuizen.
Rivierrombout en Bataafse stroommossel die mogelijk aanwezig zijn in plangebied B zullen niet worden verstoord door de planwijziging.
Soorten van paragraaf 11.2.4 van het Bal
Plangebied A kan incidenteel worden doorkruist door bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad. Verder kan plangebied A (een onderdeel van het) leefgebied bieden voor egel, algemene muizensoorten, haas, konijn, ree, wezel, bunzing, vos, hermelijn en steenmarter. De planwijziging heeft geen negatief effect op de leefgebieden en de bovengenoemde soorten zullen niet worden verstoord.
Geconcludeerd kan worden dat in het huidige gebruik van het plangebied de aanwezigheid van beschermende planten en diersoorten onwaarschijnlijk is en geen sprake is van verstoring. Gesteld kan dan ook worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermende soorten.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Natura 2000
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).
Toetsing ligging t.o.v. Natura 2000
Vanwege de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (1,6 kilometer voor deelgebied A (Gantelweg 20) en 170 meter voor deelgebied B (Afgedamde Maas)), de in de regels van het geldend bestemmingsplan opgenomen gebruiksbepaling waarin een stikstofemissie plafond is vastgelegd en het ontbreken van plannen voor werkzaamheden kan worden aangenomen dat door het huidige gebruik geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden als gevolg van het voornemen.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met innachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Er worden geen feitelijke, nieuwe activiteiten ondernomen.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.
In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.
Toetsing ligging t.o.v. NNN
Uit de kaarten op de website van provincie Noord-Brabant blijkt dat plangebied A geen deel uitmaakt van het NNB. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNB Provinciaal deel ligt op circa 48 meter ten westen van het plangebied. Het NNB betreft hier een ecologische verbindingszone langs de watergang. Het bestaande gebruik binnen het plangebied heeft geen gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB.
Uit de kaarten op de website van provincie Noord-Brabant blijkt dat het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het NNB Rijksdeel op circa 1928 meter ligt ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt wel binnen het gebied dat deel uitmaakt van het NNB Provinciaal deel. Dit betreft het beheertype N02.01 Rivier. Het beheertype heeft een zeer dynamisch karakter. Het huidige gebruik binnen het plangebied wijzigt niet en heeft geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB.
Ten aanzien van het NNN heeft de planwijziging geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Houtopstanden
Er zijn geen beschermde houtopstanden in de plangebieden aanwezig dus de bestemmingsplanwijzigingen hebben geen negatief effect op beschermde houtopstanden.
Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect Natuur geen sprake van een belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van he aangrenzende bedrijventerrein.
Er is derhalve geen sprake van een toename van verkeersbewegingen of een toename van de parkeerbehoefte. Ook aan de ontsluiting en wegstructuur hoeft ten behoeve van het planvoornemen niets te worden gewijzigd.
Het aspect wegen, verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Er worden met het voornemen geen specifieke maatregelen op het gebied van duurzaamheid en klimaatadaptatie genomen, maar het voornemen leidt ook niet tot negatieve effecten ten aanzien van deze aspecten.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.
TAM-omgevingsplan
Een TAM-omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het Omgevingsplan volledig in de Standaard officiële publicaties (STOP) kan opstellen. Het TAM-omgevingsplan wordt later ondergebracht in de STOP. Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen.
Hiertoe wordt in de praktijk het TAM-omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden.
Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Altena van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Altena van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Altena. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locaties opgenomen. Hierom is op deze locaties het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudrichem herziening 2018' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-omgevingsplan is hier dan ook zo mogelijk bij aangesloten.
De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken, namelijk 'Algemene bepalingen' (hoofdstuk 1), 'Functies en activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.
Inleidende regels (hoofdstuk 1)
De inleidende regels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-omgevingsplan. Deze inleidende regels omvatten begripsbepalingen, het toepassingsbereik van de planregeling, meet- en rekenbepalingen en het normadressaat (tot wie de planregels zich richten) .
Functieomschrijving (hoofdstuk 2)
In hoofdstuk 2 zijn de toepasselijke functietoedelingen opgenomen inclusief bouw- en gebruiksregels.
Algemene regels (hoofdstuk 3)
In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die voor alle functietoedelingen relevant zijn. Het betreft antidubbeltelregels, aanvraagvereisten, regels voor parkeren, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels en algemene aanduidingsregels.
Overgangsregels (hoofdstuk 4)
In hoofdstuk 4 zijn de toepasselijke overgangsregels voor dit wijzigingsbesluit van het omgevingsplan opgenomen.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
Bij de voorbereiding van onderhavig wijzigingsbesluit is de mogelijkheid geboden tot het voeren van een zogenaamd omgevingsdialoog, middels een participatiebijeenkomst op 30 mei 2024.
De gemeente heeft het herstelplan toegelicht aan de omgeving en eventuele vragen en opmerkingen besproken.
Tijdens de participatie is gebleken dat één van de posities van ligplaatsen is verplaatst en feitelijk in lijn is gebracht met posities van andere ligplaatsen.
Daarnaast is in relatie tot de mogelijke nadere borging van de vergunning voor tijdelijk gebruik voor wonen ter plaatse van de vijfde ligplaats door de betreffende eigenaar geopperd dit gebruik voor wonen mogelijk te verplaatsen naar de eerste ligplaats, die eveneens in haar eigendom is en waar in tegenstelling tot de vijfde ligplaats blijkens de onderzoeksresultaten wel sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bovendien heeft ter plaatse van de tweede en derde ligplaats wisseling van eigenaar plaatsgevonden. Vraag is of het historisch vergunde gebruik dient mee te verhuizen met de eigenaar.
Afgesproken is dat de gemeente naar aanleiding van deze avond met inachtneming van het besprokene het concept plan nader zal uitwerken en belanghebbenden het definitief concept voor bestuurlijke besluitvorming nog krijgen in te zien.
Op basis van de verleende vergunningen van Rijkswaterstaat, de resultaten van het nader uitgevoerd akoestisch onderzoek, afstemming met belanghebbenden en met inachtneming van de bestaande situatie heeft het college ervoor gekozen om in dit ontwerp Tam-omgevingsplan een drietal ligplaatsen voor woonschepen te faciliteren en nader te borgen, te weten ligplaats 1, 3 en 4. Ligplaats 2 en 5 mogen uitsluitend voor tijdelijk afmeren worden gebruikt. Hiertoe is op 30 augustus 2024 een raadsinformatiebrief verzonden en zijn tevens de belanghebbenden geinformeerd over het college besluit.
Onder de Omgevingswet is het wettelijk vooroverleg net langer voorgeschreven, maar dient nog steeds wel afstemming met andere bestuursorganen plaats te vinden (conform artikel 2.2 Ow.
Voorliggende wijziging heeft uitsluitend betrekking op een herstelbesluit ten behoeve van de aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de geldende planologische rechten alsmede de hernieuwde planologische borging van een vijftal reeds vergunde ligplaatsen met innachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein.
Met het oog op een zorgvuldige besluitvorming is vanwege de planologische borging van de ligplaatsen het concept Tam-omgevingsplan voorgelegd aan Rijkswaterstaat.
Rjikswaterstaat laat in haar reactie (d.d. 10 september 2024) weten in te kunnen stemmen met het voornemen, maar heeft wel verzocht om in de toelichting van het plan, ten aanzien van de ligplaatsen, op te nemen dat iedere verandering, zoals een ander schip of gebruiker, gemeld dient te worden bij Rijkswaterstaat en dat er getoetst zal worden aan het Binnenvaartpolitiereglement en de Richtlijn Vaarwegen of een nieuwe vergunning kan worden verleend. Nieuwe aanvragen voor woonboten bijvoorbeeld zullen op grond van de Richtlijn vaarwegen niet worden toegestaan. De toelichting is hier op aangevuld in paragraaf 2.2.
Gezien de aard en omvang van het voornemen werd nadere afstemming met de overige ketenpartners in het voorstadium niet noodzakelijk geacht. Het voornemen is in het het regulier afstemmingsoverleg van de provincie met de gemeente wel besproken. Dit heeft verder niet tot aanpassingen geleid.
Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit bij de gemeenteraad naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit wijzigingsbesluit.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op een herstelbesluit met betrekking tot aanpassing van een bestaand agrarisch bouwvlak aan de planologische rechten alsmede hernieuwde planologische borging van vergunde ligplaatsen met inachtneming van de ter plaatse geldende geluidscontour als gevolg van het aangrenzende bedrijventerrein. Bij onderhavige ontwikkeling is geen sprake van verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst niet aan de orde is.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.