direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herziening Hoofdstraat 92, Genderen en Dodesteeg 1, Wijk en Aalburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0738.BP8003-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van de bestemmingsplannen "Genderen" en "Buitengebied" van gemeente Aalburg ten behoeve van de verplaatsing van een gecombineerd geiten- en rundveehouderijbedrijf van de Hoofdstraat 92 te Genderen naar de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg.

In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht, daar is een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Ontwikkelingen in de veehouderij volgen elkaar in hoog tempo op. Daarnaast wordt de regelgeving ten aanzien van geitenhouderijen steeds strenger in verband met gezondheidsrisico’s. Voor kleinschalige bedrijven is het daardoor moeilijk om als duurzaam en volwaardig bedrijf te kunnen blijven bestaan. Om, ook op lange termijn, een gezonde concurrentiepositie in de markt te kunnen behouden en om een economisch volwaardig en rendabel bedrijf te kunnen blijven exploiteren is uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk.

Uitbreiding op de locatie aan de Hoofdstraat 92 te Genderen is, gezien de ligging nabij de dorpskern Genderen en de strenge gezondheidseisen die gelden voor geitenhouderijen niet mogelijk. Om het bedrijf te kunnen voortzetten is verplaatsing naar een geschiktere locatie noodzakelijk. Hierbij is het van belang te zoeken naar een locatie die op het gebied van gezondheid aanzienlijk minder risico’s teweegbrengt dan de huidige situatie. De initiatiefnemer heeft voor de voorgenomen verplaatsing een voormalig agrarisch bedrijf aan de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg op het oog. Deze locatie is gelegen in het buitengebied van gemeente Aalburg en is op (aanzienlijk) grotere afstand van burgerwoningen gelegen. Tevens is de concentratie van woningen nabij de locatie aan de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg aanzienlijk minder dan die nabij de locatie aan de Hoofdstraat 92 te Genderen. Hiermee zal sprake zijn van een verbeterde situatie voor wat betreft volksgezondheid.

Een bedrijfsverplaatsing is niet mogelijk met toepassing van de regels uit de vigerende bestemmingsplannen. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee strijdig met de regels uit die plannen. Echter, omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt door de gemeente in principe medewerking verleend. Middels voorliggend document wordt op basis van onderzoeken gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend en waarom dat kan in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Plangebied

1.2.1 Vertreklocatie

De vertreklocatie is gelegen aan de westelijke rand van de dorpskern Genderen en is kadastraal bekend onder gemeente Aalburg, sectie D, nummer 1191.

Nabij de vertreklocatie zijn burgerwoningen, enkele centrumvoorzieningen en bedrijven gelegen. Het achterliggende landschap bestaat voornamelijk uit grasland en landbouwgronden. In de volgende figuur is de topografische ligging van de vertreklocatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0003.jpg"
Topografische kaart vertreklocatie.
Bron: Topografische Dienst Kadaster.

1.2.2 Vestigingslocatie

De vestigingslocatie is gelegen aan de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg en is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Aalburg. De vestigingslocatie is kadastraal bekend onder gemeente Aalburg, sectie A, nummer 460. Nabij deze locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen.

De omgeving van de vestigingslocatie bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap. In de volgende figuur is de topografische ligging van deze locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0004.jpg"

Topografische kaart vestigingslocatie.
Bron: Topografische Dienst Kadaster.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Op de vertreklocatie is het bepaalde in het bestemmingsplan "Genderen" van gemeente Aalburg onverkort van toepassing.

De locatie aan de Hoofdstraat 92 te Genderen is gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch bouwvlak'. Hierbinnen is agrarische bedrijfsvoering mogelijk. Reguliere bedrijfsvoering wordt binnen deze bestemming niet mogelijk gemaakt. Er is eveneens geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming te wijzigen naar een bedrijfsbestemming.

Op de vestigingslocatie is het bepaalde in het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Aalburg onverkort van toepassing.

De locatie aan de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg is gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch met landschapswaarden – openheid'. Hierbinnen zijn geitenhouderijen uitsluitend toegestaan als hiervoor een nadere aanduiding is opgenomen. Dit is bij de vestigingslocatie niet het geval. In het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het toekennen van een aanduiding voor geitenhouderij

In de onderhavige situatie is sprake van verplaatsing van een gecombineerd rundvee- en geitenhouderijbedrijf. Hierbij zal de bestemming op de vertreklocatie worden omgezet naar een bedrijfsbestemming voor bedrijven tot maximaal milieucategorie 2, nader gespecificeerd in de bij de regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten. De bestemming op de vestigingslocatie zal agrarisch blijven, maar om een geitenhouderijbedrijf mogelijk te maken dient hier de aanduiding 'geitenhouderij (g)' te worden toegevoegd. De voorgenomen ontwikkeling kan niet mogelijk worden gemaakt met toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid en is daarmee in strijd met de regels zoals gesteld in de bestemmingsplannen "Genderen" en "Buitengebied".

Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk de vigerende bestemmingsplannen deels te herzien. Deze toelichting dient ter verantwoording van de te doorlopen bestemmingsplanprocedure conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • 1. Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • 2. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • 3. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van de plannen van de initiatiefnemer aan de aspecten milieu, ecologie, verkeer en parkeren, archeologie en cultuurhistorie en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, waar nodig, aanvullende onderzoeken uitgevoerd.
  • 4. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en nader ingegaan op handhaving.
  • 5. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
  • 6. Hoofdstuk 7 bevat een beschrijving van de op het plan ingekomen (inspraak)reacties. Hierin is opgenomen welke reacties zijn ingekomen en op welke wijze hiermee is omgegaan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt het voorgenomen initiatief behandeld.

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

Het gebied waarin de gemeente Aalburg gelegen is, werd waarschijnlijk al in de prehistorie (tijdelijk) bewoond. De dorpen Eethen en Meeuwen bijten met de vermeldingen Atina en Medua uit 850 de spits af, gevolgd door Alburch in 889. Genderen komt laat in de 11e eeuw voor. Gerardus de Veno in 1108 is de oudst bekende vermelding van Veen en "Villa que vocatur Babilonia" in 1131 slaat op Babyloniënbroek. Wijk staat in 1135 voor het eerst in de boeken, Drongelen in 1270 en de Hill tenslotte in 1501.

De huidig gemeente is in 1973 ontstaan na een fusie van de gemeenten Wijk en Aalburg, Veen en Eethen.

Aalburg is steeds een agrarische samenleving geweest. Uiteraard is er veeteelt maar in de 13e eeuw worden in de laatste helft van de 13e eeuw haver, gerst en mogelijk emmer-tarwe of spelt verbouwd en in veel mindere mate rogge. In de 15e en 16e eeuw legt men zich ook toe op tarwe, hop, raapzaad, vlas en boekweit.

Daarnaast zorgden boomgaarden voor appelen en pruimen. De hop als grondstof voor bier, wordt vooral in Holland afgezet. In het begin van de 16e eeuw ook in de stad Heusden, waar vier brouwerijen zorgen voor een behoorlijke productie en export en ook hophandelaren in de gelederen heeft.

Rundveehouderij komt op de tweede plaats en is eigenlijk meer bedoeld voor eigen gebruik. Daarnaast wordt in delen van de gemeente (met name het land van Heusden) meer gespecialiseerd op het houden en fokken van paarden.

2.1.1.1 Vertreklocatie

De vertreklocatie is gelegen aan de Hoofdstraat 92 te Genderen en is gelegen de rand van de dorpskern Genderen in de gemeente Aalburg.

Genderen is een dorp in de gemeente Aalburg in de en is gelegen op de noordoever van de Bergsche Maas. Genderen is een benedendorp in het Land van Heusden.

Tot 1923 behoorde Genderen tot de gemeente Heesbeen, Eethen en Genderen, ook kortweg Genderen geheten. In 1923 werd deze gemeente uitgebreid en ging voortaan Eethen heten, welke in 1973 bij de fusiegemeente Aalburg werd gevoegd. Het gebied ten zuiden van de in 1904 voltooide Bergsche Maas kwam toen bij Heusden.

Genderen ligt op de noordoever van de Bergsche Maas. De omgeving bestaat voornamelijk uit grootschalig landbouwgebied op rivierklei. Landbouw en veehouderij zijn, als vanouds, belangrijke bestaansbronnen voor Genderen.

De omgeving van de vertreklocatie bestaat voornamelijk uit bedrijfsbebouwing en burgerwoningen gelegen in de dorpskern Genderen. Aan de noordzijde van de locatie is grasland en/of landbouwgrond gelegen.

Nabij de locatie zijn enkele (agrarische en niet-agrarische) bedrijven gelegen. Tevens is de locatie nabij burgerwoningen van de dorpskern Genderen gelegen. Het dichtstbijzijnd gevoelig object (woning van derden) is gelegen op een afstand van ongeveer 20 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak).

2.1.1.2 Vestigingslocatie

De vestigingslocatie is gelegen aan de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg en is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Aalburg.

Wijk en Aalburg is een dorp in de gemeente Aalburg en is gelegen aan het Heusdensch Kanaal en de Afgedamde Maas, in het Land van Heusden.

Wijk en Aalburg is geleidelijk ontstaan door aaneengroeiing van de zelfstandige dorpen Wijk en Aalburg. Wijk ligt ten noorden van Aalburg. In 1814 werden ze tot één gemeente samengevoegd. Beide dorpen waren benedendorpen van het Land van Heusden, dat sedert 1357 bij het Graafschap Holland hoorde.

Van de agrarische bedrijvigheid nam de veeteelt de belangrijkste plaats in, gevolgd door landbouw en tuinbouw. De melkveehouderij was het belangrijkst en begin 20e eeuw begon de hoenderteelt aan belang te winnen.

De omgeving van de vestigingslocatie bestaat voornamelijk uit graslanden en/of landbouwgronden. Nabij de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnd agrarisch bedrijf is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 115 meter. De dichtstbijzijnde burgerwoning is, gemeten van bouwvlak tot bouwvlak, gelegen op een afstand van ongeveer 925 meter.

Op een afstand van ongeveer 425 meter van de vestigingslocatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) is een sportcomplex met zwembad gelegen. Op een afstand van ongeveer 675 meter van de locatie (gemeten van bouwvlak tot bestemmingsgrens) is een natuurgebied met een recreatieve bestemming gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur
2.1.2.1 Vertreklocatie

De vertreklocatie bestaat in de huidige situatie uit een geitenhouderijbedrijf, waarop als neventak eveneens rundvee wordt gehouden. Ter plaatse is een vergunning aanwezig voor het houden van 200 melkgeiten, 50 opfokgeiten tot 61 dagen, 50 opfokgeiten van 61 dagen tot 1 jaar, 18 melkkoeien en 22 stuks jongvee. Deze dieren worden momenteel gehuisvest in de bestaande stallen bij het bedrijf.

Ter plaatse zijn een bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen (stallen), een schuur en voorzieningen voor opslag van voer en mest aanwezig.

Het huidige bouwvlak ter plaatse is ongeveer 0,55 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0005.jpg"
Luchtfoto huidige situatie vertreklocatie.
Bron: Bing Maps (Microsoft).

2.1.2.2 Vestigingslocatie

Op de vestigingslocatie is in de huidige situatie een (grondgebonden) agrarisch bedrijf gevestigd. Ter plaatse zijn een bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen (stallen) en een (open) berging aanwezig.

Het huidige bouwvlak ter plaatse is ongeveer 1,1 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0006.jpg"

Luchtfoto huidige situatie vestigingslocatie.
Bron: Bing Maps (Microsoft).

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur
2.2.1.1 Vertreklocatie

De initiatiefnemer is voornemens het agrarisch bedrijf op de vertreklocatie te verplaatsen naar de vestigingslocatie. Hierbij zullen de agrarische bedrijfsactiviteiten op de vertreklocatie geheel worden beëindigd.

Vanuit ruimtelijk beleid dient, bij verplaatsing van een veehouderijbedrijf, te worden aangetoond dat ter plaatse van de vrijkomende locatie (vertreklocatie) hervestiging van een agrarisch bedrijf onmogelijk wordt gemaakt. Om deze reden wenst de initiatiefnemer de agrarische bestemming te wijzigen in een bedrijfsbestemming. Hierbij wordt gekozen voor een bedrijfsbestemming die een bedrijf in maximaal milieucategorie 2, in overeenstemming met de bij de regels van dit plan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, mogelijk maakt. Door de bestemming te wijzigen van een agrarische naar een bedrijfsbestemming wordt juridisch verzekerd dat hervestiging van een agrarisch bedrijf ter plaatse niet meer mogelijk is.

Vanuit provinciaal beleid is het omschakelen naar een (niet-agrarisch) bedrijf in een kern of in het landelijk gebied mogelijk tot maximaal 5.000 m2. Dit betekent dat het bouwvlak teruggebracht dient te worden naar een omvang van 0,5 hectare. Concreet betekent dit dat het bouwvlak moet worden verkleind met ongeveer 500 m2.

De huidige bebouwing zal bij de voorgenomen omschakeling naar een bedrijfsbestemming behouden blijven. Deze zal intern, waar nodig, worden aangepast en geschikt worden gemaakt voor de gewenste bedrijfsvoering. Er zal geen bebouwing worden gesloopt of worden gebouwd. Er is ook geen sprake van extra aanleg van erfverharding.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0007.jpg"
Gewenste situatie vertreklocatie.
Bron: Midden Nederland Bouwingenieurs B.V..

2.2.1.2 Vestigingslocatie

Op de vestigingslocatie is de initiatiefnemer voornemens het (te verplaatsen) bedrijf voort te zetten en uit te breiden. Hierbij zal de initiatiefnemer de rundveetak (neventak) beëindigen. De initiatiefnemer wenst het bedrijf uit te breiden naar een omvang van 600 melkgeiten, 160 opfokgeiten tot 61 dagen en 160 opfokgeiten van 61 dagen tot 1 jaar.

De bestaande bebouwing zal vrijwel geheel behouden blijven, uitgezonderd de huidige open berging aan de noordzijde van het bouwvlak. Deze zal worden gesloopt. Dit betekent een afname van de huidige bebouwing met ongeveer 50 m2. Tevens zal ongeveer 130 m2 van de bestaande erfverharding worden verwijderd.

Aan de bestaande stal aan de woning zal een nieuwe stal worden opgericht ten behoeve van het houden van melkgeiten. Tevens zal een nieuwe open opslag en een nieuwe mestopslag worden opgericht.

De nieuwe stal zal een oppervlakte krijgen van ongeveer 1.350 m2. De nieuwe mestopslag zal een oppervlakte krijgen van ongeveer 200 m2 en de nieuwe open opslag zal een oppervlakte krijgen van ongeveer 210 m2. Er zal eveneens ongeveer 1.280 m2 aan nieuwe erfverharding worden aangelegd ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe stal, waarvan ongeveer 850 m2 zal bestaan uit verharding van gebroken puin. Totaal is er dus sprake van een toename van het verharde oppervlak met 3.040 m2, waarvan ongeveer 850 m2 aangemerkt kan worden als zijnde semi-verhard oppervlak.

Het bouwvlak ter plaatse is groot genoeg om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Het bouwvlak zal met de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet worden aangepast.

Op de vestigingslocatie is een bouwvlak voor een (grondgebonden) agrarisch bedrijf aanwezig. Uitoefening van een geitenhouderij is hierop niet mogelijk, tenzij daar een specifieke aanduiding voor opgenomen is. Om de verplaatsing mogelijk te maken zal op het bouwvlak van de vestigingslocatie de aanduiding 'geitenhouderij (g)' moeten worden toegevoegd, waarmee uitoefenen van een geitenhouderij mogelijk wordt gemaakt.

De gemeente Aalburg heeft als antwoord op het eerder ingediende principeverzoek ten behoeve van dit plan aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de plannen van de initiatiefnemer, mits de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft op de ruimtelijke, milieutechnische en landschappelijke aspecten. In dit plan wordt verder aangetoond of sprake is van eventuele nadelige gevolgen op de genoemde aspecten.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse is door een landschapsdeskundige voor zowel de vertrek- als de vestigingslocatie een tekening opgesteld waarop is weergegeven hoe de landschappelijke inpassing op beide locaties zal worden geregeld. In de volgende figuren zijn deze tekeningen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0008.jpg"
Tekening landschappelijke inpassing vertreklocatie.
Bron: Reijrink/Heijmans Lanschapsinrichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0009.jpg"

Tekening landschappelijke inpassing vestigingslocatie.
Bron: Reijrink/Heijmans landschapsinrichting.

Deze tekeningen maken onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan. In dit inrichtingsplan is beschreven op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soort beplanting daarvoor wordt toegepast.

Conform het beleid van provincie Noord-Brabant dient bij uitbreiding van een veehouderij minimaal 10% van het bouwvlak te worden aangewend voor landschappelijke inpassing. Dit is meegenomen in het inrichtingsplan.

Daarnaast dient aangetoond te worden op welke wijze wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Richtlijn hierbij is dat bij elke nieuwe ontwikkeling 20% van de waardevermeerdering van de gronden dient te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan plaatsvinden door bijvoorbeeld landschappelijke inpassing, het aanbrengen van nieuwe groen- en landschapselementen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. De provincie heeft hiertoe een handreiking opgesteld aan de hand waarvan gemeenten het beleid ten aanzien hiervan nader kunnen vastleggen. De provincie draagt hierbij forfaitaire bedragen aan voor het berekenen van de waardevermeerdering van de grond. Deze zijn als volgt:

  • Agrarische grond, onbebouwd (zonder bouwvlak): € 5,- per m2.
  • Agrarische grond, bebouwd (met bouwvlak en bedrijfswoning): € 25,- per m2.
  • Bedrijfsgrond (bebouwd of onbebouwd): € 50,- per m2.

Aan de hand hiervan kan de waarde van de gronden in de huidige en gewenste situatie worden bepaald.

Ter plaatse van de vestigingslocatie is geen sprake van waardevermeerdering. De bestemming en het bouwvlak blijven immers gelijk.

Ter plaatse van de vertreklocatie is sprake van een verandering van de waarde van de gronden omdat sprake is van een bestemmingswijziging en omdat het bouwvlak verandert. Om de waardevermeerdering te bepalen dient de waarde van de gronden in de huidige en gewenste situatie worden vastgelegd. Deze zijn als volgt:

Huidige situatie:

  • Agrarische grond, bebouwd:
    5.500 x 25 = € 137.500,-
  • Agrarische grond, onbebouwd:
    911 x 5 = € 4.555,-

Totaal: 137.500 + 4.555 = € 142.055,-

Gewenste situatie:

  • Bedrijfsgrond:
    5.000 x 50 = € 250.000,-
  • Agrarische grond, onbebouwd:
    1.411 x 5 = € 7.055,-

Totaal: 250.000 + 7.055 = € 257.055,-

Waardevermeerdering = 257.055 - 142.055 = 115.000,-

Van de totale waardevermeerdering dient 20% te worden geïnvesteerd. Dit betekent een minimale investering van € 23.000,- in de ruimtelijke kwaliteit. Dit mag plaatsvinden door middel van landschappelijke inpassing, het aanbrengen van (natuurlijke) waterbergingsvoorzieningen en door het aanbrengen van landschapselementen elders. Als hiermee niet de noodzakelijke investering kan worden behaald dan kan het resterende bedrag worden gestort in een gemeentelijk landschapsfonds.

Bij het opstellen van het landschappelijk inrichtingsplan is rekening gehouden met deze noodzakelijke investering in de ruimtelijke kwaliteit. Bij het inrichtingsplan is eveneens een berekening gemaakt van de kosten voor de realisatie ervan. Hierin zijn de kosten van aanschaf, aanleg en onderhoud van de aan te planten soorten meegenomen. Ook zijn hier de kosten van de aanleg van de voorziening ten behoeve van de waterhuishouding meegenomen. Zoals blijkt uit de berekening uit het landschappelijk inrichtingsplan bedraagt de investering in het landschap € 23.490,-, waarmee aan de gestelde noodzakelijke investering van € 23.000,- wordt voldaan.

Daarnaast dient aangetoond te worden dat minimaal 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Het bouwvlak op de vestigingslocatie is ongeveer 1,1 hectare. Dit resulteert in een minimale oppervlakte aan landschapselementen van 1.100 m2. In het landschappelijk inrichtingsplan is een oppervlaktekaart opgenomen waarop de groenelementen zijn weergegeven. In totaal zal ongeveer 1.450 m2 worden aangewend voor landschappelijke inpassing, waarmee aan de gestelde 10% wordt voldaan.

Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Voor het gehele inrichtingsplan, inclusief berekening van de kosten, wordt verwezen naar bijlage 1 van dit plan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.

In het Barro wordt een aantal projecten die van nationaal belang zijn genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

In het Barro zijn dertien projecten van nationaal belang beschreven:

  • Mainport ontwikkeling Rotterdam.
  • Kustfundament.
  • Grote rivieren.
  • Waddenzee en Waddengebied.
  • Defensie.
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
  • Rijksvaarwegen.
  • Hoofdwegen en hoofdspoorwegen.
  • Ektriciteitsvoorziening.
  • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen.
  • Ecologische hoofdstructuur.
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament.
  • IJsselmeergebied.

Een ander belangrijk, nog niet geheel uitgewerkt, onderwerp van het Barro betreft “duurzame verstedelijking”. Hiervoor zullen mogelijk in de toekomst nog aanvullende regels volgen.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en “vermindering van de bestuurlijke drukte”. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad wellicht leiden tot een versnelde uitvoering van de in het Barro opgenomen projecten.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.

Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

Bij het Barro zijn kaarten opgenomen welke de genoemde projecten in beeld brengen. De beide planlocaties zijn niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocaties en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant
3.2.1.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2010

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hiermee voldoet de provincie Noord-Brabant aan de eis conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) waarin provincies verplicht worden gesteld voor het gehele grondgebied een structuurvisie op te stellen. De structuurvisie bevat ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar de lange termijn (2040) en is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.

Het grondgebied van provincie Noord-Brabant is opgedeeld in verschillende soorten gebieden, waarvoor elk eigen beleidsuitgangspunten van toepassing zijn. Volgens de visiekaart en structurenkaart van provincie Noord-Brabant, zoals te zien in de volgende figuren, is de vertreklocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Accentgebied agrarische ontwikkeling (zeekleipolders)' en een 'kern in landelijk gebied' nabij een 'zoekgebied voor verstedelijking'. De vestigingslocatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Accentgebied agrarische ontwikkeling (zeekleipolders)'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0010.jpg"
Uitsnede Visiekaart vertreklocatie Structuurvisie RO.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0011.jpg"

Uitsnede Structurenkaart vertreklocatie Structuurvisie RO.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0012.jpg"

Uitsnede Visiekaart vestigingslocatie Structuurvisie RO.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0013.jpg"

Uitsnede Structurenkaart vestigingslocatie Structuurvisie RO.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Ten aanzien van een accentgebied agrarische ontwikkeling (zeeklei) is in de Structuurvisie RO van provincie Noord-Brabant het volgende gesteld:

"Binnen de kleigebieden maakt de provincie onderscheid tussen de zeekleigebieden, de rivierkleipolders en de maasterrassen. Bij de veenontginningen onderscheidt de provincie de Westbrabantse veenontginning, de ontginning van de Langstraat en de veenontginning van de Peel. Binnen het mozaïeklandschap van het zand zijn er verschillen tussen de Brabantse wal, de Baronie, de Kempen en De Meierij.

Door met ruimtelijke ontwikkelingen in te spelen op breuklijnen en hoogteverschillen geven deze beeldbepalende structuren richting aan de verdere ontwikkeling van het landschap. Het gaat daarbij om behoud van het reliëf zelf, maar ook om het behoud van het zicht op en vanaf de reliëfvormen.

In een aantal gebieden is de landbouw dominant en wil de provincie de aanwezige ruimte behouden voor agrarische ontwikkelingen. Hier streeft de provincie naar een optimale en duurzame ontwikkeling van in die gebieden aanwezige landbouwsectoren. Naast de landbouwontwikkelingsgebieden en de vestigingsgebieden glastuinbouw zijn dat de omgeving van Zundert (boomteelt), de Peel (intensieve veehouderij en glastuinbouw), de zeeklei (glastuinbouw en akkerbouw) en jonge rivierklei gebieden (rundveehouderij) de gebieden waar de agrarische functie voor de toekomst behouden moet blijven. Ontwikkelingen dragen bij aan de verbetering van een schone, groene en gezonde woon- en leefomgeving."

Binnen de zeekleigebieden is ontwikkeling van de landbouw mogelijk, mits het reliëf en de structuur van het landschap zoveel mogelijk behouden blijft. Het streven hierbij is dat de agrarische functie voor de toekomst behouden dient te blijven. Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen bijdragen aan de verbetering van een schone, groene en gezonde woon- en leefomgeving.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een verplaatsing van een geitenhouderij uit de kern Genderen naar een locatie in het buitengebied, waarbij de geitenhouderij eveneens zal uitbreiden. Door de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een aanzienlijke verbetering voor wat betreft milieu en volksgezondheid in de kern Genderen. Daarnaast zal op beide locaties geen sprake zijn van het verkavelingspatroon. Hierbij kan worden gesteld dat het reliëf en de structuur van het landschap zoveel mogelijk behouden blijft en dat de ontwikkeling bijdraagt aan een verbetering van de schone, groene en gezonde woon- en leefomgeving.

Ten aanzien van 'kernen in het landelijk gebied' en bijbehorende 'zoekgebieden verstedelijking' wordt in de Structuurvisie RO van provincie Noord-Brabant het volgende gesteld:

"De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen).

De zoekgebieden voor verstedelijking zijn vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant. De keuze voor de zoekgebieden verstedelijking is tot stand gekomen na een integrale afweging vanuit de gebiedskwaliteiten (hanteren lagenbenadering) samen met gemeenten en waterschappen. Dit proces heeft plaatsgevonden in het kader van de opstelling van de uitwerkingsplannen van het streekplan van 2002."

In het landelijk gebied is stedelijke ontwikkeling doorgaans niet wenselijk. In de zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling wordt ruimte geboden voor uitbreiding van de stedelijke gebieden. Dit houdt in dat verstedelijking binnen deze gebieden, mits goed gemotiveerd en mits geen andere mogelijkheden voor verstedelijking beschikbaar zijn in het bestaand stedelijk gebied, mogelijk wordt gemaakt.

Op de vertreklocatie zal sprake zijn van een omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Hierbij zal de locatie beter aansluiten bij de omgeving. Tevens is voor wat betreft milieu en volksgezondheid sprake van een aanzienlijke verbetering op de kern Genderen. Er is geen sprake van een grootschalige stedelijke ontwikkeling, maar de locatie zal beter aansluiten bij het stedelijk karakter van de kern.

Voor wat betreft de mogelijkheden tot verstedelijking in de zoekgebieden wordt aangesloten bij het gestelde in de Verordening Ruimte van provincie Noord-Brabant. Verdere toetsing vindt dan ook plaats aan de Verordening Ruimte.

Hiermee kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals gesteld in de Structuurvisie RO van provincie Noord-Brabant.

3.2.1.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2010, partiële herziening 2014

Op 17 december 2013 hebben Gedeputeerde Staten het Statenvoorstel van de structuurvisie vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (Structuurvisie RO) in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Ontwerpstructuurvisie RO 2010 - partiële herziening 2014’.

Er is bewust niet gekozen om een geheel nieuwe visie op te stellen. Dit omdat de bestaande structuurvisie recentelijk is vastgesteld en de visie en sturingsfilosofie voor het overgrote deel nog actueel zijn. Op onderdelen vindt er bijsturing plaats.

De structuurvisie is bijgewerkt op basis van de volgende besluiten:

  • transitie van stad en platteland, een nieuwe koers (PS december 2011).
  • structuurvisie deel D Brainport-Oost (PS juni 2011) en deel E Grenscorridor (PS juni 2012).
  • intrekken van de reconstructie- en gebiedsplannen (PS maart 2012).
  • Brabant: Uitnodigend Groen 2012-2022 (PS september 2012).
  • startnotitie Samenhangend beleid voor de Ondergrond (december 2012).
  • transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020 (PS maart 2013).
  • investeringsagenda Agenda van Brabant (PS december 2010 en PS juni 2013).

Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn voornamelijk de besluiten over het intrekken van de reconstructie- en gebiedsplannen en de transitie naar de zorguldige veehouderij van toepassing.

Over het intrekken van de reconstructie- en gebiedsplannen is in de herziene (ontwerp) structuurvisie het volgende opgenomen:

"De reconstructie- en gebiedsplannen zijn ingetrokken. De sturing en het beleid voor het landelijk gebied zijn in deze Svro opgenomen en waar nodig vertaald in de Verordening ruimte."

Door de Raad van State is echter de uitspraak gedaan dat de reconstructieplannen ten onrechte zijn ingetrokken, waarmee de reconstructieplannen van kracht blijven. Dit heeft voor de verdere beleidsregels echter weinig invloed, omdat een provincie het beleid uit de reconstructieplannen mag aanscherpen. De richtlijnen zijn vertaald in de Verordening Ruimte, waarmee toetsing aan dit aspect zal plaatsvinden aan de Verordening Ruimte Noord-Brabant.

Ten aanzien van landbouw wordt gesteld dat door een toenemende maatschappelijke onrust, met name op het gebied van gezondheid, maatregelen nodig zijn om de groei van veehouderijen, voornamelijk in Oost-Brabant, te beperken. Daarnaast dient te worden voorzien in voldoende capaciteit van mestverwerking om het aanwezige mestoverschot aan te pakken.

Over de transitie naar een zorgvuldige veehouderij is het volgende opgenomen:

"De transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020 verdient specifieke aandacht. De Brabantse veehouderij vervult een koploperpositie in de wereld en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de economische positie van Brabant. Anderzijds zijn de grenzen voor groei van de sector bereikt. De gevolgen van de hoge mens-dierdichtheid voor de fysieke leefomgeving en het landschap zijn groot. Het is de wens om de veehouderij in evenwicht te brengen met zijn omgeving zodat een verantwoord woon-, werk- en leefklimaat wordt verkregen.

Maar ook economisch is de stap naar een duurzame en innovatieve veehouderij nodig omdat het huidige verdienmodel, dat nog vaak gericht is op schaalvergroting en kostenminimalisatie, niet langer houdbaar is. De overlast van het productieproces op milieu- en leefomgeving moeten definitief opgelost worden.

Daarom kiest Brabant voor een nieuwe weg waarbij de groei van de sector wordt beperkt en ontwikkeling naar een duurzame en innovatieve veehouderij wordt gestimuleerd. Om de steeds verdergaande schaalvergroting te keren, is het vanuit economisch perspectief nodig om alternatieven te ontwikkelen voor groei, bijvoorbeeld door economische meerwaarde /toegevoegde waarde van producten en kennis te generen. Belangrijke randvoorwaarde bij ontwikkeling van de veehouderij is dat deze zorgvuldig is, dus zorgt voor een goed niveau van volksgezondheid, een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving en een goede diergezondheid en -welzijn.

Een snelle signalering van risico's en het beheersbaar maken van de risico's zijn daarbij van belang Daarnaast wil de provincie gemeenten ondersteunen bij het aanpakken van overbelaste situaties; dit zijn locaties of gebieden waarin vanwege de (cumulatie van) uitstoot van milieuhinderlijke stoffen geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat. Een duurzame veehouderij heeft verder nadrukkelijk aandacht voor het dier; het dierenwelzijn en de diergezondheid wordt verder bevorderd. Tot slot worden de grondstoffenkringlopen (op West-Europees niveau) gesloten; grondstoffen voor eiwitrijk voedsel komen meer dan voorheen uit Europa en door het terugwinnen van fosfaat uit mest wordt de fosfaatkringloop gesloten.

Om de transitie naar een duurzame of zorgvuldige veehouderij te bevorderen, zijn in ieder geval maatregelen op bedrijfsniveau nodig. Daarnaast wordt bezien of ook de inrichting van het landelijk gebied hieraan bijdraagt."

De regels ten behoeve van de transitie naar een duurzame veehouderij zijn/worden verder vertaald in de Verordening Ruimte. Verdere toetsing zal daarom plaatsvinden aan de Verordening Ruimte, zowel aan de huidige als aan de nieuwe verordening.

3.2.2 Verordening Ruimte
3.2.2.1 Verordening Ruimte 2012

Op 17 december 2010 is de Verordening Ruimte Noord-Brabant door Gedeputeerde Staten van de provincie vastgesteld. Deze is op 8 maart 2011 in werking getreden. De verordening is inmiddels herzien en geactualiseerd. De geactualiseerde versie, de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2012, is op 11 mei 2012 vastgesteld en op 1 juni 2012 in werking getreden. Op 31 mei 2013 is een wijziging op de Verordening Ruimte van kracht geworden met aanvullende voorschriften ten aanzien van grondgebonden veehouderijbedrijven.

De Verordening Ruimte hanteert nieuwe beleidsregels ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen in Noord-Brabant. Hierbij worden de regels ten aanzien van veehouderijbedrijven en woningen in het buitengebied aangescherpt. Hierbij zijn nieuwe beleidsregels voor veehouderijen in reconstructiegebieden opgesteld.

In de Verordening Ruimte 2012 van provincie Noord-Brabant is opgenomen dat uitbreiding van, hervestiging van en/of omschakeling naar een geitenhouderij niet is toegestaan. Echter is hier in de Verordening Ruimte een bepaling voor opgenomen, waarbij verplaatsing van geitenhouderijen die gelegen zijn in een kern of bebouwingsconcentratie onder voorwaarden mogen worden verplaatst. Deze bepaling luidt als volgt:

"In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het college van Burgemeester en Wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1 lid 3 van de wet een omgevingsvergunning verlenen, mits:

  • a. er sprake is van een verplaatsing van een geiten- of schapenhouderij uit een kern of bebouwingsconcentratie onder het feitelijk, planologisch en juridisch opheffen van de achterblijvende locatie;
  • b. er sprake is van een VAB vestiging;
  • c. er aantoonbaar sprake is dat de verplaatsing bijdraagt aan een vermindering van volksgezondheidsrisico’s;
  • d. er op de VAB vestiging aantoonbaar sprake is van een aanvaardbare situatie vanuit gezondheidsrisico’s, wat in ieder geval blijkt uit
      • een advies van de GGD;
      • het betrekken van de meest moderne inzichten bij de inrichting van het bedrijf.

In onderhavig geval is sprake van verplaatsing van een geitenhouderij uit de kern Genderen. De vertreklocatie wordt planologisch en juridisch opgeheven door het omschakelen van de agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming, waarbij een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2 mogelijk wordt gemaakt.

De vestigingslocatie betreft een VAB locatie. Hier is reeds een bouwvlak voor een agrarisch bedrijf gevestigd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een aantoonbare vermindering van de gezondheidsrisico’s. Dit is nader uitgewerkt in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en Milieuaspecten" (hoofdstuk 4).

Bij de vestigingslocatie is sprake van een aanvaardbare situatie voor wat betreft gezondheidsrisico’s. Hiertoe is bij de GGD advies ingewonnen. De GGD heeft positief op de verplaatsing geadviseerd. Dit advies is als bijlage 2 bij dit plan opgenomen.

Aan de bepalingen kan met de voorgenomen ontwikkeling dus worden voldaan, waarmee de verplaatsing mogelijk wordt gemaakt binnen de bepalingen voor verplaatsing van schapen- en geitenhouderijen zoals zijn opgenomen in de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant.

Echter is door de provincie de bouwstop voor schapen- en geitenhouderijen op 15 november 2013 opgeheven, waarbij het gehele artikel 9.6, inclusief de mogelijkheden voor verplaatsing van een schapen- en/of geitenhouderij, is geschrapt. Dit betekent dat vanaf die datum niet meer hoeft te worden getoetst aan het betreffende artikel om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Wel moet worden aangesloten bij de regels ten aanzien van veehouderijen zoals in de verordening zijn opgenomen.

De beiden locaties zijn gelegen in een gebied dat in de verordening is aangemerkt als verwevingsgebied.

Hiervoor zijn ten aanzien van veehouderijen specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt:

Artikel 9.3 Regels voor verwevingsgebieden

  • 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied:
    • a. bepaalt dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij niet is toegestaan;
    • b. bepaalt dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
    • c. kan bepalen dat hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij zijn toegestaan op een duurzame locatie tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor goede landschappelijke inpassing;
    • d. kan voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing;
    • e. kan bepalen dat vormverandering van een bouwblok voor intensieve veehouderij is toegestaan op een duurzame locatie;
    • f. kan bepalen dat de bouw van een voorziening voor het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting is toegestaan;
    • g. kan binnen het bouwblok voorzien in een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 11.
  • 2. Uit de toelichting bij een bestemmingsplan blijkt ten aanzien van een duurzame locatie als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, dat:
    • a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;
    • b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;
    • c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.
  • 3. Tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan dat in overeenstemming is met het eerste lid, onder b, in werking is getreden, geldt de regel dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.
  • 4. In afwijking van het eerste lid, onder d, is voor bouwblokken die op 20 maart 2010 een omvang hebben van 1,5 hectare of meer en geheel zijn benut, éénmalig uiterlijk tot 1 januari 2013 vergroting van het bouwblok toegestaan om bij een gelijk blijvend aantal dieren te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en uit de op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen.

In feite wordt omschakeling naar een geitenhouderij (tot maximaal 1,5 hectare) toegestaan, mits het een duurzame locatie betreft en zolang 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor landschappelijke inpassing.

Van belang is aan te tonen dat het een duurzame locatie betreft. Een duurzame locatie is een locatie waarop de voorgenomen ontwikkeling op zowel milieutechnisch en ruimtelijk gebied aanvaardbaar is.

Het is hierbij van belang te kijken naar de vestigingslocatie, omdat uitsluitend daar de omschakeling zal plaatsvinden. Zoals is aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en Milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van onevenredig nadelige effecten op ruimtelijk en milieutechnisch vlak. Ook is bij de GGD Noord-Brabant een gezondheidsadvies gevraagd. Zij hebben positief geadviseerd (zie bijlage 2 van dit plan).

Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een duurzame locatie.

Voor wat betreft landschappelijke inpassing is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin zijn de richtlijnen uit het provinciaal beleid meegenomen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2).

Voor de vertreklocatie is het wenselijk de agrarische bestemming om te schakelen naar een bedrijfsbestemming. In de Verordening is ten aanzien van bestaande en/of nieuwe bedrijven in het landelijk gebied of in kernen het volgende opgenomen:

" Artikel 3.8 Regels voor bestaande en nieuw te vestigen bedrijven in kernen in landelijk gebied of hun zoekgebied

  • 1. Bestemmingsplannen die zijn gelegen in een kern in landelijk gebied of zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, behorend bij een kern in landelijk gebied, sluiten uit dat bedrijven gelegen zijn op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2.
  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet:
    • a. voor zover de bestemming is verwezenlijkt;
    • b. voor de regionale bedrijventerreinen.
  • 3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in een vestiging of een uitbreiding van een bedrijf, gelegen op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m2, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.
  • 4. Uit de in het derde lid bedoelde verantwoording blijkt dat:
    • a. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om op het in gebruik zijnde bestemmingsvlak tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte door middel van zorgvuldig ruimtegebruik bedoeld in artikel 3.6, derde lid;
    • b. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding of vestiging ter plaatse;
    • c. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om het bedrijf te verplaatsen naar of te vestigen op:
      • een bedrijventerrein in een nabij gelegen stedelijk concentratiegebied, of
      • een nabijgelegen bovenregionaal bedrijventerrein, of
      • wat betreft gemeenten in de regio’s Land van Heusden en Altena, De Kempen en Land van Cuijk, een regionaal bedrijventerrein, of
      • als laatste mogelijkheid, enig ander bedrijventerrein in de eigen gemeente."

Bovenstaande in acht genomen kan worden gesteld dat een omschakeling naar een bedrijf mogelijk is tot een maximale oppervlakte van 5.000 m2. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de oppervlakte van het bouwvlak (en ook het bestemmingsvlak voor het bedrijf) worden teruggebracht naar 5.000 m2. Hiermee wordt aan de maximale oppervlakte voldaan.

Daarnaast dient vanuit artikel 2.1 en 2.2 van de Verordening aangetoond te worden dat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Hierbij dient te worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit door middel van landschappelijke inpassing en/of het aanbrengen van nieuwe groen- en/of landschapselementen. Voor de noodzakelijke investering is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin is een berekening van de mate van investeren opgenomen. Zoals nader is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt aan de noodzakelijke investering voldaan.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan het beleid zoals is opgenomen in de Verordening Ruimte 2012 van provincie Noord-Brabant.

3.2.2.2 Verordening Ruimte 2014

De provincie Noord-Brabant heeft op 17 februari 2014 een nieuwe verordening ruimte (Verordening Ruimte 2014) vastgesteld. Deze is op 19 maart 2014 in werking getreden. In de nieuwe Verordening wordt ingestoken op de transitie naar een duurzame veehouderij. Ter voorbereiding op het vaststellen van de nieuwe Verordening heeft de provincie een voorbereidingsbesluit genomen, waarin is opgenomen dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Verordening Ruimte 2014 alvast aan de daarin opgenomen bepalingen moet worden voldaan ten aanzien van veehouderijen.

In de nieuwe verordening is het verbod op uitbreiding, hervestiging en omschakeling van/naar geitenhouderijen komen te vervallen, maar er zijn voor veehouderijen in het algemeen strengere eisen opgenomen waaraan, in het kader van een duurzame (zorgvuldige) veehouderij, moet worden voldaan.

In het kort wordt in de verordening gesteld dat uitbreiding van veehouderijen niet is toegestaan, tenzij zij investeringen doen in de verduurzaming van het bedrijf. Hierbij dient de overlast aan de omgeving te worden geminimaliseerd. In de verordening zijn bepalingen ten aanzien van de maximale geur- en fijn stof belasting aan de omgeving opgenomen. Dit betreft niet uitsluitend individuele ontwikkelingen, maar het gehele gebied. Er dient daarbij dus gekeken te worden naar zowel voor- als achtergrondbelasting. Door middel van een maatlat voor zorgvuldige veehouderij worden aanvullende eisen gesteld.

In de verordening is opgenomen dat bij uitbreidingen van een veehouderij voor wat betreft geur, op zowel voor- als achtergrond, de kans op geurgehinderden niet meer dan 12% binnen de bebouwde kom en 20% in het buitengebied mag bedragen. Voor fijn stof geldt dat de achtergrondconcentratie (het initiatief daarin meegenomen) niet meer mag bedragen dan 31,2 microgram per kubieke meter (µg/m3). Aan de bepaling van fijn stof kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan. Aan de bepaling voor geur kan echter niet geheel worden voldaan, omdat sprake is van een overbelaste situatie op één woning. Cijfermatig treedt hier geen verslechtering op, dus er is geen sprake van achteruitgang van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Echter is wel sprake van een overbelasting, waarmee aanvullende maatregelen noodzakelijk lijken. Ten aanzien van kleinschalige uitbreidingen in overbelaste situaties geeft de provincie aan gemeenten een mogelijkheid een zogenaamde afkapwaarde te bepalen. Ontwikkelingen die onder deze afkapwaarde vallen worden, ondanks een overbelaste situatie, mogelijk gemaakt, omdat zij niet of nauwelijks bijdragen aan de overbelaste situatie. De provincie heeft als richtlijn een afkapwaarde van 0,5% gegeven. De voorgenomen ontwikkeling valt onder deze afkapwaarde, waarmee de ontwikkeling, ondanks de overbelaste situatie, alsnog mogelijk wordt gemaakt zonder dat aanvullende compensatie nodig is. Een nadere toelichting op het gebied van geur is nader uitgewerkt in bijlage 3 en 4 van dit plan.

Daarnaast dient bij uitbreiding van veehouderijen een zorgvuldige dialoog met de omgeving (omwonenden en belanghebbenden) te worden gevoerd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is door de initiatiefnemer op 16 januari 2014 een informatieavond gehouden waarop hij de plannen voor de aanwezigen heeft gepresenteerd. Vrijwel alle omwonenden en belanghebbenden van beide locaties hebben hiervoor een uitnodiging gehad. De aanwezigen op de informatieavond zijn in de gelegenheid gesteld vragen te stellen en reacties kenbaar te maken. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is geweest van een zorgvuldige dialoog met de omgeving. De vastlegging van de omgevingsdialoog is opgenomen in de resultaten en toetsing aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van dit plan.

Daarnaast dient, ten behoeve van de transitie naar een zorgvuldige veehouderij, met de voorgenomen ontwikkeling te worden voldaan aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). Hiertoe heeft de provincie, ter ondersteuning van het opgestelde beleidsdocument betreffende de BZV, een rekentool ontwikkeld waarin de score berekend kan worden. Met behulp van de rekentool is voor onderhavige ontwikkeling een score berekend. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling in ieder geval aan de minimaal noodzakelijke score uit de BZV wordt voldaan. Hiermee kan worden gesteld dat sprake zal zijn van een zogenaamd zorgvuldige veehouderij. Voor de resultaten en een toelichting op de toetsing aan de BZV wordt verwezen naar bijlage 3 van dit plan.

Tevens dient bij uitbreiding van een geitenhouderij te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing waarbij minimaal 10% van het bouwvlak hiervoor dient te worden aangewend. Bij de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin deze bepaling is meegenomen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2).

Voor de vertreklocatie dient gekeken te worden naar de mogelijkheden voor omschakeling naar een reguliere bedrijfsbestemming ten behoeve voor statische opslag. Ten aanzien van de Verordening Ruimte 2012 zijn de bepalingen hierover in de nieuwe Verordening niet gewijzigd. Aan deze bepalingen kan, zoals is omschreven bij de toetsing aan de Verordening Ruimte 2012 in de vorige paragraaf, worden voldaan.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Plus Land van Heusden en Altena

In samenwerking met de gemeenten Werkendam en Woudrichem heeft de gemeente Aalburg de Structuurvisie Plus Land van Heusden en Altena opgesteld. Deze structuurvisie brengt voor alle drie de gemeenten de beleidsuitgangspunten in beeld. Hierbij worden de hoofdlijnen van het gewenste ruimtelijk beleid vastgelegd richting 2025. In de structuurvisie worden keuzen gemaakt om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen.

Een belangrijk uitgangspunt voor de opzet van de structuurvisie vormt de sturingsfilosofie die de gemeenten voor de komende planperiode in de ruimtelijke ordening willen hanteren. Hierbij worden per beleidsveld vier vormen van gemeentelijke regie onderscheiden. Het gaat dan om ruimtelijke ontwikkelingen die de gemeenten tot hun basisverantwoordelijkheid rekenen (moeten), ontwikkelingen die hun ambities betreffen (willen), ontwikkelingen die veelal van derden afkomstig zijn maar waarbij de gemeenten zo goed mogelijk kansen willen benutten (kunnen) en tenslotte ontwikkelingen die de gemeenten willen voorkomen omdat ze kwaliteiten en waarden aantasten (voorkomen).

De belangrijkste thema's (beleidsvelden) uit de structuurvisie zijn:

  • wonen;
  • voorzieningen;
  • economie;
  • omgeving en eigenheid;
  • verkeer en mobiliteit.

Ten aanzien van agrarische bedrijfsactiviteiten zijn in de structuurvisie eigen beleidsuitgangspunten geformuleerd. Gesteld wordt dat aan veehouderijen (met name grondgebonden) mogelijkheden worden geboden tot uitbreiding. Concrete invulling van die mogelijkheden worden nader vastgelegd in het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente. Dit zal, met inachtneming van het ruimtelijk beleid van het rijk en de provincie, worden vastgelegd in het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied, waarvan het voorontwerp reeds ter inzage heeft gelegen.

Voor de vertreklocatie is het wenselijk het agrarisch bedrijf om te schakelen naar een niet-agrarisch bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Ten aanzien van vrijkomende agrarische locaties en omschakeling van de functie daarvan staat de gemeente positief. In de structuurvisie wordt hierover het volgende gesteld:

"Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen bieden een kans tot functiewijziging. Op deze wijze blijft het landelijk gebied vitaal en leefbaar. De gemeenten willen initiatieven in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen onder voorwaarden kunnen faciliteren. Uitgangspunt is hierbij niet primair de aard van de nieuwe functie, maar de invloed van de functie op de omgeving. Bij de beoordeling van initiatieven zullen de gemeenten de volgende criteria hanteren:

  • 1. De aard van het initiatief moet passen bij de functionele karakteristiek van de omgeving, met name daar waar sprake is van bebouwingslinten en clusters;
  • 2. De aard en inrichting van het initiatief moet aansluiten bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving;
  • 3. De aard en inrichting van het initiatief moet rekening houden met de kenmerkende cultuurhistorische waarden in het gebied;
  • 4. Het initiatief mag niet leiden tot verkeers- of parkeeroverlast in de omgeving. Parkeren dient altijd op eigen erf te worden geregeld;
  • 5. Het initiatief moet zelf zorgdragen voor een goede afwikkeling van de waterhuishouding;
  • 6. Het initiatief mag niet leiden tot extra milieuhygiënische belemmeringen voor bestaande agrarische bedrijven;
  • 7. Het initiatief mag niet leiden tot milieuhygiënische overlast op de omgeving."

Ad. 1:
De vertreklocatie is gelegen aan de rand van de kern Genderen, tussen reguliere bedrijven en woningen. Omschakeling naar een bedrijf past daarmee goed binnen de functionele karakteristiek van de omgeving.

Ad. 2:
Ruimtelijk gezien zal er ter plaatse niets veranderen. De bestaande bebouwing blijft met het voorgenomen initiatief behouden.

Ad. 3:
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de uitstraling van het bedrijf niet wijzigen. Daarbij zullen eventuele cultuurhistorische waarden niet worden aangetast.

Ad. 4:
Parkeren vindt in de huidige situatie al geheel op eigen terrein plaats. Dat zal met de voorgenomen ontwikkeling niet veranderen. Tevens is geen sprake van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Gezien sprake is van een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2 zal het aantal verkeersbewegingen afnemen ten aanzien van de huidige situatie.

Ad. 5:
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de waterhuishouding niet veranderen. Er is in de huidige situatie sprake van een goede waterhuishouding en dat zal na omschakeling eveneens zo zijn.

Ad. 6:
Het initiatief zal niet leiden tot milieuhygiënische belemmeringen voor omliggende bedrijven. Dit is nader aangetoond in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.2).

Ad. 7:
Het initiatief zal niet leiden tot milieuhygiënische overlast op de omgeving. Dit is nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1).

Aan de criteria uit de structuurvisie kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan. Hiermee kan worden gesteld dat omschakeling van het huidige bedrijf van de initiatiefnemer naar een niet-agrarisch bedrijf mogelijk kan worden gemaakt vanuit het gemeentelijke beleid.

Voor wat betreft de omschakeling van het (grondgebonden) agrarisch bedrijf op de vestigingslocatie naar een geitenhouderijbedrijf dient te worden aangesloten bij de mogelijkheden die worden geboden vanuit het bestemmingsplan "Buitengebied" en het nieuwe in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Buitengebied", waarvan het voorontwerp ter inzage heeft gelegen, van gemeente Aalburg.

3.3.2 Welstandsnota Aalburg 2013

Op 24 september 2013 heeft de gemeente Aalburg de Welstandsnota Aalburg 2013 vastgesteld. In de welstandsnota is het welstandsbeleid van de gemeente geactualiseerd. Aanleiding voor het vernieuwde beleid is het afschaffen van de huidige vorm van welstandstoezicht en het onderzoeken of hier een andere vorm voor in de plaats kan worden gesteld.

De gemeenteraad heeft hierbij besloten dat het welstandsbeleid alleen moet gaan gelden op waardevolle gebieden binnen de gemeente. Dit betreft met name (cultuur)historisch waardevolle gebieden en op zichzelf staande waardevolle bebouwing. Kort gezegd betekent dit dat geen welstandstoets zal plaatsvinden, tenzij sprake is van een ontwikkeling in een waardevol gebied of als de ontwikkeling betrekking heeft op een waardevol pand.

Zoals te zien in de volgende figuren zijn zowel de vertrek- als de vestigingslocatie gelegen in een gebied dat vanuit het welstandsbeleid van de gemeente Aalburg is aangemerkt als 'welstandsvrij'. Tevens zijn geen van de aanwezige gebouwen aangemerkt als waardevol pand.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0014.jpg"

Uitsnede kaart "Genderen" bij Welstandsnota Aalburg 2013, vertreklocatie.
Bron: Gemeente Aalburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0015.jpg"

Uitsnede kaart "Buitengebied" bij Welstandsnota Aalburg 2013, vestigingslocatie.
Bron: Gemeente Aalburg.

Gezien beide locaties in een welstandsvrij gebied zijn gelegen kan worden gesteld dat voor beide locaties een welstandstoets niet aan de orde is. Hiermee kan worden gesteld dat het gewenste project voldoet aan de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Welstandsnota Aalburg 2013 van gemeente Aalburg.

3.3.3 Voorontwerpbestemmingsplan "Genderen"

Gemeente Aalburg is momenteel bezig met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de kern Genderen. Dit bestemmingsplan "Genderen" heeft reeds als voorontwerp ter inzage gelegen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de vertreklocatie gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch'. Tevens zijn op de locatie de aanduidingen 'bouwvlak', maximale maatvoering en 'bedrijfswoning' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0016.jpg"

Uitsnede verbeelding voorontwerpbestemmingsplan "Genderen", vertreklocatie.
Bron: Gemeente Aalburg; Ruimtelijkeplannen.nl.

Op de vertreklocatie is het wenselijk de agrarische bedrijfsbestemming om te zetten in de bestemming "Bedrijf" tot maximaal milieucategorie 2, waarbij wordt aangesloten op het bepaalde in de bij de regels van dit plan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten. Hierbij geldt een maximale maat voor het bestemmings- en bouwvlak van 5.000 m2. De overige 500 m2 zal worden omgezet in een gewone agrarische bestemming zonder bouwvlak. Het bestemmingsvlak, met daarin het bouwvlak, zal tot op de nabijgelegen verkeersbestemming van de Hoofdstraat worden verschoven. Hierbij zal het deel dat aan de achterzijde vrij komt worden omgezet in een agrarische bestemming.

In het voorontwerpbestemmingsplan is geen afwijkings- en/of wijzigingsmogelijkheid opgenomen om een agrarische bestemming om te schakelen naar een bedrijfsbestemming. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in strijd met de bepalingen uit het voorontwerpbestemmingsplan. Door middel van een herziening van het vigerend bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling alsnog mogelijk gemaakt. Om strijdigheid met het beleid uit het nieuwe bestemmingsplan "Genderen" zal bij het opstellen van de planregels worden aangesloten bij de regels uit het voorontwerpbestemmingsplan "Genderen".

3.3.4 Voorontwerpbestemmingsplan "Buitengebied"

Gemeente Aalburg is, naast een nieuw bestemmingsplan voor de kern Genderen, eveneens bezig met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente. Dit bestemmingsplan "Buitengebied" heeft eveneens reeds als voorontwerp ter inzage gelegen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de vestigingslocatie gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'. Daarnaast zijn de aanduidingen 'bouwvlak', maximale maatvoering, 'bedrijfswoning', 'openheid' en 'Reconstructiewetzone - verwevingsgebied' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0017.jpg"

Uitsnede verbeelding voorontwerpbestemmingsplan "Buitengebied", vestigingslocatie.
Bron: Gemeente Aalburg; Ruimtelijkeplannen.nl.

Op de vestigingslocatie is het wenselijk het te verplaatsen geitenhouderijbedrijf van de initiatiefnemer voort te zetten. Dit is alleen mogelijk als aan de locatie de aanduiding 'geitenhouderij (g)' is toegekend. Dit is op de vestigingslocatie niet het geval, waardoor het wenselijk is deze aanduiding aan het bouwvlak toe te voegen. Het bouwvlak en de bestemming zullen niet worden veranderd.

In het voorontwerpbestemmingsplan is geen afwijkings- en/of wijzigingsmogelijkheid opgenomen om de aanduiding 'geitenhouderij (g)' aan een locatie toe te voegen. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in strijd met de bepalingen uit het voorontwerpbestemmingsplan. Door middel van een herziening van het vigerend bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling alsnog mogelijk gemaakt. Om strijdigheid met het beleid uit het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied" zal bij het opstellen van de planregels worden aangesloten bij de regels uit het voorontwerpbestemmingsplan "Buitengebied".

3.3.5 Bestemmingsplan "Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen"

Voor de gemeente Aalburg is het bestemmingsplan "Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen" (hierna te noemen: sectorplan) opgesteld. Het sectorplan geeft een planologische regeling voor nagenoeg alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen binnen de gemeente. Hieronder vallen bijvoordeeld de dubbelbestemmingen Waarde (Archeologie, Cultuurhistorie en Ecologie), Leiding (Gas en Water) en Waterstaat (Waterkeringen, Waterlopen en Waterstaatkundige functies) en enkele gebiedsaanduidingen zoals milieuzones, veiligheidszones en vrijwaringszones.

Al deze aspecten zijn in één bestemmingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente geregeld. Het bestemmingsplan "Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen" blijft, naast dit plan, geheel onverkort van kracht.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en Milieuaspecten

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Van de ruimtelijke- en milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in het volgende hoofdstuk behandeld. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van het plan inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.

Om aan te tonen of sprake is van een verontreiniging dient bij ontwikkelingen een bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de wettelijke norm NEN 5740. Een dergelijk onderzoek moet aantonen of de bodemkwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling gevolgen heeft op de gewenste activiteiten ter plaatse.

Dit is echter vooral van belang bij bestemmings- en/of functiewijzigingen die inrichtingen mogelijk maken waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. In dergelijke gevallen dient middels een bodemonderzoek te worden aangetoond of de bodem ter plaatse dusdanig verontreinigd is dat dit risico's voor de gezondheid met zich meebrengt en daarmee dus de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in de weg staat.

Op de vertreklocatie is geen sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. In de bedrijfsgebouwen voor statische opslag zijn slechts sporadisch mensen aanwezig. Hiermee zijn geen risico's te verwachten voor de gezondheid en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

Op de vestigingslocatie is sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. Om aan te tonen of sprake is van een verontreiniging dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Voor de vestigingslocatie is in het verleden reeds een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport was echter niet geheel volledig, waardoor eveneens aanvullend onderzoek is uitgevoerd. Uit de onderzoeken blijkt dat ter plaatse lichte verontreinigingen zijn aangetroffen. In het aanvullend onderzoek is aangetoond dat ter plaatse van in het verleden aanwezige bronnen van verontreiniging geen verhoogde waarden zijn aangetroffen die de bestemmingswijziging in de weg zullen staan. De initiatiefnemer heeft bij de aankoop van de locatie een vergoeding gekregen voor sanering van de bodem. De initiatiefnemer zal op een natuurlijk moment overgaan tot sanering van de bodem.

Voor het gehele onderzoek, inclusief aanvullend onderzoek, wordt verwezen naar bijlage 5 van dit plan.

4.1.2 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
4.1.2.1 Milieuzonering vanuit de planlocatie

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt op de vertreklocatie een agrarisch bedrijf omgeschakeld naar een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2, waarbij wordt aangesloten bij de mogelijke bedrijfsvormen zoals zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten, welke als bijlage bij de regels van dit plan is opgenomen.

In de bij de regels van dit plan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestane bedrijfsvormen opgenomen. Bij alle in de Staat van de bedrijfsactiviteiten opgenomen bedrijven bedraagt de grootste richtafstand 30 meter.

Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op ongeveer 30 meter van de planlocatie (gemeten van gevel bedrijfsgebouw tot bouwvlak woning). Hiermee is het dichtstbijzijnd gevoelig object ver genoeg van de planlocatie gelegen en wordt door de voorgenomen ontwikkeling geen hinder veroorzaakt.

Op de vestigingslocatie is sprake van een vestiging en uitbreiding van een geitenhouderij. In de VNG handreiking zijn ten aanzien van geitenhouderijen zijn geen specifieke afstanden opgenomen. Wel zijn afstanden opgenomen voor "overige graasdieren". Geiten zijn onder deze categorie te scharen.

De grootste richtafstand uit de handreiking is voor wat betreft het houden van "overige graasdieren" 50 meter (voor geur). Het dichtstbijzijnd gevoelig object is gelegen op een afstand van ongeveer 930 meter van de planlocatie (gemeten van gevel bedrijfsgebouw tot bouwvlak burgerwoning). Dichterbij zijn echter wel enkele agrarische bedrijfwoningen gelegen. Deze worden niet als geurgevoelig object aangemerkt (hoewel aan de vaste afstanden dient te worden voldaan) maar wel voor bijvoorbeeld fijn stof. Gezien de dichtstbijzijnde bedrijfswoning op een afstand van ongeveer 175 meter van de planlocatie (gemeten bouwvlak bedrijf tot gevel bedrijfswoning) wordt eveneens ruimschoots aan de gestelde afstanden voldaan, waarmee door de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder aan de omgeving zal worden veroorzaakt.

4.1.2.2 Milieuzonering ten aanzien van de planlocatie

Als bij een inrichting nieuwe gevoelige objecten worden opgericht in het kader van geur, geluid, luchtkwaliteit of externe veiligheid, dan mag dit gevoelig object geen hinder ondervinden van eventueel omliggende hinder veroorzakende inrichtingen.Tevens mag de ontwikkeling van een nieuw gevoelig object geen belemmering zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden op beide locaties geen gevoelige objecten opgericht in het kader van geluid, geur, luchtkwaliteit en/of externe veiligheid. De agrarische bedrijfswoning wordt op de vertreklocatie wel omgeschakeld naar een reguliere bedrijfswoning, maar blijft dezelfde bescherming genieten omdat het een voormalige agrarische bedrijfswoning betreft. Daarom is feitelijk geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Hiermee zal op beide locaties geen hinder ondervonden worden van eventueel omliggende bedrijven en/of inrichtingen en zullen geen bedrijven en/of bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.3 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden.

Op de vertreklocatie is sprake van beëindiging van een geitenhouderij, waarbij het agrarisch bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf. Een niet-agrarisch bedrijf heeft geen geuremissie, waarmee de situatie in de kern Genderen op het gebied van geur aanzienlijk zal verbeteren. Er is immers sprake van een aanzienlijke afname van de overbelaste geurbelasting ter plaatse.

Op de vestigingslocatie is sprake van omschakeling van een grondgebonden melkveehouderij naar een geitenhouderij. Hierbij dient te worden aangetoond dat bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een onevenredige toename van de geurbelasting aan de omgeving, waarbij dient te worden onderzocht of sprake is van een overschrijding van de wettelijke geurnormen die ter plaatse gelden.

Om aan te tonen of bij de voorgenomen ontwikkeling op de vestigingslocatie sprake is van een onevenredige toename van de geurbelasting is een V-stacks berekening gemaakt. In deze berekening is uitgegaan van een "worst-case" scenario, waarbij een maximale omvang van het bedrijf dat mogelijk zou zijn op het bouwvlak. De worst-case toetsing is uitgevoerd op basis van 1.000 melkgeiten, 250 opfokgeiten jonger dan 61 dagen en 250 opfokgeiten van 61 dagen tot 1 jaar. De aanvraag heeft echter betrekking op minder dieren (de aangevraagde 600 melkgeiten, 160 opfokgeiten jonger dan 61 dagen en 160 opfokgeiten van 61 dagen tot 1 jaar). Er zal dus niet het aantal dieren uit de worst-case situatie gehouden gaan worden. Uit de V-stacks berekening blijkt echter dat ook in het "worst-case" scenario geen sprake zal zijn van overschrijding van de geurnorm op gevoelige objecten in de omgeving.

Ook de achtergrondbelasting is meegenomen in deze "worst-case" berekening. Uit de berekening blijkt dat bij de voorgenomen ontwikkeling de achtergrondbelasting op geen van de gevoelige objecten zal toenemen. Er is op geen van de gevoelige objecten sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.

Voor het geurrapport met daarin de berekeningen en de conclusies wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

Hierbij dient echter wel te worden opgemerkt dat de voorgenomen ontwikkeling voor wat betreft geur eveneens dient te voldoen aan het geldend provinciaal beleid. Uit nadere toetsing aan het provinciaal beleid kan worden geconcludeerd dat dit met de voorgenomen ontwikkeling het geval is. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Verordening Ruimte 2014" (paragraaf 3.2.2.2). Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van geur geen belemmeringen te verwachten zijn.

4.1.4 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.4.1 Uitstoot voorgenomen ontwikkeling

Bij de voorgenomen ontwikkeling dient te worden aangetoond of sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Hiertoe dient inzichtelijk te worden gemaakt of de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden in onevenredige mate zal toenemen.

Op de vertreklocatie is sprake van beëindiging van een geitenhouderij, waarbij het bedrijf zal worden omgeschakeld naar een bedrijf tot maximaal milieucategorie. Een niet-agrarisch bedrijf heeft aanzienlijk minder uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden dan een veehouderij, waarmee sprake zal zijn van een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse. De fijn stof belasting op de kern Genderen zal met de voorgenomen ontwikkeling dus afnemen.

Op de vestigingslocatie is sprake van omschakeling van een grondgebonden melkveehouderij naar een geitenhouderij. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden en of deze toename in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse.

Voor het berekenen van de bijdragen van industriële, agrarische punt- of oppervlaktebronnen aan de bestaande of toekomstige concentraties is in Nederland standaardrekenmethode 3 (SRM3) voorgeschreven. Het gaat daarbij om de stoffen die genoemd worden in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5 (luchtkwaliteitseisen). ISL3a is geschikt voor berekeningen van oppervlaktebronnen voor fijn stof en van puntbronnen voor fijn stof en NO2. Voor berekeningen aan agrarische inrichtingen zijn de emissiefactoren gebruikt zoals deze bekend zijn gemaakt door het ministerie van VROM.

Om aan te tonen of sprake is van een grootschalig negatief effect op de luchtkwaliteit is een ISL3a berekening gemaakt. Hierop zijn de wettelijke normen van 40 µg/m3 voor fijn stof en 35 dagen voor het aantal overschrijdingsdagen van toepassing. Uit de berekening blijkt dat aan deze normen wordt voldaan. Hiermee betreft het een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Ook aan de gestelde eisen voor wat betreft luchtkwaliteit uit het provinciale beleid (achtergrondconcentratie maximaal 30 µg/m3) wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan.

Voor de volledige berekening en de resultaten daarvan wordt verwezen naar bijlage 6 van dit plan.

4.1.4.2 Uitstoot verkeersbewegingen

Naast uitbreiding in dieraantallen moet ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen worden.

Op de vertreklocatie is sprake van omschakeling van een geitenhouderij naar een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Hierbij zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2). Gezien sprake is van een afname van het aantal verkeersbewegingen zal de uitstoot van fijn stof afnemen. Dit betekent een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse van de kern Genderen.

Op de vestigingslocatie is sprake van en toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2). Concreet is er sprake van ongeveer 14 verkeersbewegingen per week, waarvan 8 met vrachtverkeer. Dit resulteert in een toename van ongeveer 2 verkeersbewegingen per dag. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijn stof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m3. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m3 met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0018.jpg"

Resultaat berekening NIBM-rekentool.
Bron: InfoMil.

Gezien de toename van het aantal verkeersbewegingen als NIBM kan worden aangemerkt is geen sprake van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden. Hiermee worden ten aanzien van de luchtkwaliteit voor wat betreft de toename van het aantal verkeersbewegingen geen belemmeringen verwacht.

4.1.4.3 Woon- en leefklimaat

Naast effecten op de omgeving moet ook onderzocht worden of ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hierbij is het van belang te kijken naar de feitelijke luchtkwaliteit ter plaatse. Dit is echter alleen van belang als gevoelige objecten in het kader van de luchtkwaliteit worden opgericht.

In onderhavig geval is op beide locaties geen sprake van het oprichten van een gevoelig object in het kader van de luchtkwaliteit. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.
 

4.1.5 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • 1. Woningen.
  • 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Het aantal verkeersbewegingen zal, zoals nader is uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2), bij de voorgenomen ontwikkeling op zowel de vertrek- als de vestigingslocatie niet in onevenredige mate toenemen. Het is zelfs aannemelijk dat deze op de vertreklocatie zullen afnemen.

Op de vestigingslocatie zal het aantal verkeersbewegingen, zoals eveneens nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.3.2), toenemen. Het aantal verkeersbewegingen die de geitenhouderij tot gevolg zal hebben is vergelijkbaar met die van een melkveehouderij. In het verleden was ter plaatse van de vestigingslocatie een melkveehouderij gevestigd. In vergelijking met de situatie in het verleden zal dus een zelfde geluidbelasting ontstaan. In het verleden was geen sprake van geluidsoverlast. Dat zal in de toekomstige situatie dus ook niet het geval zijn. Daarnaast is het een omgeving vol melkveehouders, waarbij het verkeer afkomstig van het bedrijf vrijwel meteen geheel in het normale verkeer ter plaatse zal worden opgenomen. Ook is het bedrijf op een dusdanig grote afstand van omliggende bedrijven en/of woningen gelegen dat niet wordt verwacht dat dit een toename van de geluidbelasting tot gevolg zal hebben.

Op de vertreklocatie zal een geitenhouderij worden beëindigd en worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Een dergelijk bedrijf zal niet meer geluidsoverlast veroorzaken dan een geitenhouderij. Het is zelfs aannemelijk dat de geluidsbelasting aan de omgeving met de omschakeling zal afnemen. Hiermee is geen toename van de geluidbelasting aan de omgeving te verwachten.

Op de vestigingslocatie wordt een grondgebonden melkveehouderij omgeschakeld naar een geitenhouderij. Een geitenhouderij heeft een vergelijkbare geluidbelasting aan de omgeving als een melkveehouderij. De geluidbelasting aan de omgeving zal dus niet groter zijn dan in het verleden het geval is geweest. Daarnaast is het bedrijf op ruim voldoende afstand van omliggende bedrijven en/of woningen gelegen, waarmee geen geluidsoverlast wordt veroorzaakt.

Hiermee zijn ten aanzien van geluid geen belemmeringen te verwachten.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.

Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn standaard afstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grenswaarden van het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en nabij gelegen, al dan niet geprojecteerde, (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2 lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

4.1.6.1 Transport (spoor-, vaar- en autowegen)

Voor ruimtelijke plannen zijn spoorwegen, vaarwegen en autowegen risicorelevant als er binnen een zone van 200 meter vanaf de transportas een ontwikkeling gepland wordt. Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het doorgaand verkeer dient plaats te vinden aan de hand van de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (ministeries van VROM, BZK en VenW)” uit 2004 en de wijziging daarop van 1 augustus 2008, waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen.

Daarnaast kent de circulaire de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Indien binnen het invloedsgebied (binnen 200 meter vanaf de as van de transportroute) nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het RO-besluit, het groepsrisico te worden verantwoord.

Nabij zowel de vertrek- als de vestigingslocatie (binnen een afstand van 200 meter) zijn geen transportroutes waarover mogelijk transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt gelegen.

4.1.6.2 Transport- en buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden aangehouden moeten worden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is hierbij in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen' (VROM, 19 maart 2010 geactualiseerd) staan in bijlage 6 inventarisatieafstanden genoemd. Voor de inventarisatie van de bebouwing is een bepaalde afstand waarbinnen een inventarisatie noodzakelijk wordt geacht. De inventarisatieafstand loopt uiteen van 45 meter bij een leidingdiameter van 4 inch en een druk van 40 bar tot 580 meter bij een leidingdiameter van 42 inch en een druk van 80 bar. Deze afstanden gelden aan weerszijden van de betreffende leiding.

Nabij de vertreklocatie zijn geen buisleidingen voor transport gelegen.

Nabij de vestigingslocatie is een buisleiding voor het transport van gas gelegen. Deze leiding is in beheer bij de Gasunie. Voor de buisleiding is een risico-afstand opgenomen van 5 meter aan weerszijden van de leiding. De vestigingslocatie is buiten deze risico-afstand gelegen, waarmee dit niet voor belemmeringen zal zorgen.

4.1.6.3 Plaatsgebonden risico

Op de vertreklocatie is sprake van omschakeling van een geitenhouderij naar een niet-agrarisch bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Op de vestigingslocatie is sprake van omschakeling van een melkveehouderij naar een geitenhouderij.

Zowel een niet-agrarisch bedrijf tot milieucategorie 2 als een geitenhouderij veroorzaken zelf vaak geen risico's voor de woon- en leefomgeving in het kader van externe veiligheid en zijn daarom vaak geen Bevi inrichtingen, mits geen risicovolle elementen worden opgericht als propaantanks, koelinstallaties of vergistingsinstallaties. Op beide locaties is geen sprake van het oprichten van dergelijke risicovolle installaties, waarmee het niet-agrarisch bedrijf en het geitenhouderijbedrijf geen Bevi inrichtingen zijn en geen risico's aan de directe omgeving zullen veroorzaken.

Naast het feit dat een inrichting geen onevenredige risico's voor de woon- en leefomgeving mag veroorzaken, mag een gevoelige inrichting (waar veelvuldig mensen aanwezig zijn) ook geen hinder ondervinden van mogelijk in de omgeving aanwezige inrichtingen. Volgens de Risicokaart, zoals weergegeven in de volgende figuren, is zowel de vertrek- als de vestigingslocatie niet binnen een invloedsgebied gelegen van een mogelijke risicobron.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0019.jpg"
Uitsnede Risicokaart vertreklocatie.
Bron: Interprovinciaal overleg (IPO).

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0020.jpg"

Uitsnede Risicokaart vestigingslocatie.
Bron: Interprovinciaal overleg (IPO).

Gezien de beide locaties niet binnen een invloedsgebied van een risicobron zijn gelegen, zijn ten aanzien van het plaatsgebonden risico geen belemmeringen te verwachten.

4.1.6.4 Overstromingsgebied

Er is sprake van een overstromingsrisico zodra een onbeheersbare hoeveelheid water de polder instroomt. Dat kan in deze regio zijn vanuit een van de grote rivieren en/of een (voormalige) zeearm. Bijvoorbeeld als er een gat in een waterkering ontstaat of als er over een grote lengte zoveel water over de dijken loopt dat zandzakken en/of andere noodmaatregelen de instroom niet stoppen. Een fors lekkende of overlopende sluisdeur, zonder dat een onbeheersbare situatie ontstaat, is dus geen overstroming. Water op het land door hevige regenval is geen overstroming, maar wateroverlast. Er is sprake van inundatie als land bewust onder water wordt gezet.

Beide locaties zijn in een overstromingsgebied gelegen.

Het betreft hier een gebied met een mogelijke overstromingsdiepte van 0,5 - 0,8 meter en 0,8 - 2 meter. Hierover is het volgende omschreven:

50 - 80 cm:
Militaire voertuigen kunnen nog rijden. U bent nog bereikbaar voor hulpdiensten. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid. Kijk waarop u op een veilige plaats hulp kunt bieden.

80 cm - 2 m:
De eerste verdieping van uw huis is veilig. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid en neem uw noodvoorraad en een radio op batterijen mee. Luister naar de Rampenzender (lokale radiozender) en volg instructies van de hulpverleners op.

Bij de bouw van nieuwe gebouwen zullen nodige veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Hierbij wordt gedacht aan kruipruimteloos bouwen, het slechts plaatsen van elektra op voor water niet bereikbare plaatsen, het verhogen van de aanleghoogte van de bebouwing en het onderheien van de bebouwing.

Gezien het geen overstromingsdiepte betreft van meer dan 5 meter, is de tweede verdieping van het huis altijd veilig. Hierbij bestaat altijd een mogelijkheid voor iedereen een veilig onderkomen te vinden.

4.1.6.5 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de personendichtheid zal toenemen. Eigen personeel en bezoekers dienen hierbij buiten beschouwing te worden gelaten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal op beide locaties de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal het groepsrisico eveneens niet in onevenredige mate toenemen. Hierdoor zijn ten aanzien van het groepsrisico geen belemmeringen te verwachten.

4.1.7 Volksgezondheid

Gezien het bij de voorgenomen ontwikkeling een geitenhouderij betreft dient te worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de volksgezondheid mogelijk is.

Het grootste knelpunt ten aanzien van geitenhouderijen is de volksgezondheid. Met de uitbraak van de Q-koorts, waarbij de grootste oorzaak was terug te leiden naar drachtige geiten, is nader onderzoek naar gezondheidsaspecten bij veehouderijen uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat bij veehouderijen, en in het bijzonder geiten- en schapenhouderijen, mogelijk uitstoot van ziektekiemen tot gevolg hebben.

De vertreklocatie is gelegen aan de rand van de dorpskern Genderen. De afstand van de vertreklocatie tot de dichtstbijzijnde burgerwoning bedraagt ongeveer 20 meter. In de directe omgeving van de vertreklocatie zijn verscheidene burgerwoningen alsmede bestemmingen waarin veelvuldig mensen verblijven gelegen.

De vestigingslocatie is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Aalburg. De concentratie van het aantal woningen (burgerwoningen en (agrarische) bedrijfswoningen) is in het buitengebied aanzienlijk minder dan in de dorpskern. De afstand van de vestigingslocatie tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt ongeveer 925 meter. De afstand tot woningen bedraagt in de gewenste situatie ongeveer 50 maal zoveel als in de huidige situatie. De afstand tot de dichtstbijzijnde (agrarische) bedrijfswoning bedraagt ongeveer 175 meter. Dit is een afstand van bijna 9 maal zo veel als in de huidige situatie.

In een straal van 1,5 kilometer van de vestigingslocatie zijn slechts 7 burgerwoningen en 11 (agrarische) bedrijfswoningen gelegen. De concentratie woningen is dus in de gewenste situatie aanzienlijk lager dan in de huidige situatie, waarin in een straal van 150 meter al ruim 30 woningen gelegen zijn.

Daarnaast is het aantal voetgangers en fietsers, dat mogelijk wordt blootgesteld aan mogelijk schadelijke stoffen en ziektekiemen van het bedrijf, in de dorpskern vele malen groter dan in het buitengebied.

Gezien het aantal voetgangers en fietsers dat mogelijk wordt blootgesteld aan de uitstoot van het bedrijf en de concentratie van het aantal woningen aanzienlijk zal afnemen zal sprake zijn van een aanzienlijke vermindering van het aantal mensen dat wordt blootgesteld aan de eventueel risicovolle stoffen en/of ziektekiemen afkomstig van het bedrijf.

Een punt van aandacht is het sportcomplex met zwembad dat op een afstand van ongeveer 425 meter van de vestigingslocatie is gelegen. Dit sportcomplex heeft een recreatieve bestemming. Het zwembad gaat echter momenteel het laatste seizoen tegemoet en zal daarna worden gesloten. De recreatieve bestemming zal blijven bestaan, maar er is nog geen duidelijkheid over een eventueel nieuwe invulling van deze bestemming.

Er is voornamelijk sprake van mogelijke ziektekiemen wanneer de geiten drachtig zijn. Het aflammerseizoen (de periode waarin de lammeren geboren worden) vindt echter in januari plaats. In januari trekt het zwembad geen bezoekers. Daarnaast valt januari buiten het recreatieseizoen, waarmee geen sprake is van blootstelling aan mogelijke ziektekiemen tijdens het recreatieseizoen. Tevens is het zwembad ten zuiden van de vestigingslocatie gelegen. De overheersende windrichting in Nederland is west of zuidwest, wat betekent dat de meeste blootstelling aan mogelijke ziektekiemen aan de oost- en noordoostzijde van de vestigingslocatie zal plaatsvinden, dus niet ter hoogte van de recreatieve functie.

De stallen zullen worden gebouwd volgens de nieuwste inzichten en technieken. Bij geiten betekent dit dat de stallen traditioneel zullen worden opgericht.

De vertreklocatie zal worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf. Zowel op het gebied van milieu als volksgezondheid betekent dit een aanzienlijke verbetering.

Bij de GGD Noord-Brabant is een advies inzake volksgezondheid gevraagd. Zij hebben positief gereageerd op de voorgenomen ontwikkeling. Zij geven nog enkele aanbevelingen in het advies. Deze aanbevelingen zullen met de voorgenomen ontwikkeling zoveel mogelijk in acht worden genomen. Voor het advies en de aanbevelingen wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.

Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van volksgezondheid met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een aanzienlijke verbetering ten aanzien van de huidige situatie.

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling
4.1.8.1 Algemeen

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten.
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

4.1.8.2 Dit plan

Dit plan voorziet op de vertreklocatie in een omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Deze activiteit is niet opgenomen in bijlage C en/of D van het Besluit milieueffectrapportage en is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Dit plan voorziet op de vestigingslocatie in een omschakeling van een melkveehouderij naar een geitenhouderij. Hierbij is sprake van een toename van de veestapel met 600 melkgeiten, 160 opfokgeiten tot 61 dagen en 160 opfokgeiten van 61 dagen tot 1 jaar. Het betreft in totaal dus 920 geiten. De beoordelingsplicht geldt vanaf een toename van 2.000 geiten en/of schapen.

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

1. Kenmerken van het project:

Het betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.

Binnen het project is echter wel sprake van een melkgeitenhouderij met een mogelijk verhoogd risico voor de volksgezondheid. Gezien sprake is van verplaatsing van de melkgeitenhouderij uit de dorpskern van Genderen naar het buitengebied in Wijk en Aalburg is sprake van een aanzienlijke verbetering van de situatie ten aanzien van volksgezondheid. Om dit aan te tonen is bij de GGD Noord-Brabant een advies ingewonnen inzake de risico's voor de volksgezondheid. De GGD heeft positief geadviseerd over de verplaatsing. Voor het GGD advies wordt verwezen naar bijlage 2 van dit plan. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van een verbetering van de volksgezondheid ten aanzien van de huidige situatie.

2. Plaats van het project:

Het project is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf.

De vertreklocatie is gelegen aan de rand van de dorpskern Genderen. De melkgeitenhouderij op deze locatie zal worden opgeheven en worden omgeschakeld naar een bedrijf voor statische opslag. Hiermee nemen de gezondheidsrisico's op de dorpskern aanzienlijk af. De vestigingslocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Aalburg, waarbij de concentratie omwonenden en omliggende functies aanzienlijk lager is. Hiermee is de concentratie van personen die worden blootgesteld aan mogelijk schadelijke stoffen voor de volksgezondheid aanzienlijk lager, waarmee sprake zal zijn van een afname van de gezondheidsrisico's ten aanzien van de huidige situatie.

Nabij de beide locaties (dichtstbijzijnde op ongeveer 2,1 kilometer van de vestigingslocatie en ongeveer 3,3 kilometer van de vertreklocatie) zijn Natura 2000 gebieden gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal, door externe saldering, geen nadelige effecten op de betreffende gebieden hebben. Hiertoe is in de drie betreffende provincies (Noord-Brabant, Gelderland en Zuid-Holland) een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd. Omdat netto gezien geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden is het aannemelijk dat in de betreffende provincies de Natuurbeschermingswetvergunning kan worden verleend. Hiermee zijn er geen nadelige effecten op de betreffende gebieden.

De beide locaties zijn niet in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten hebben op EHS-gebieden.

3. Kenmerken van het potentiële effect:

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal.

Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal, door externe saldering, geen nadelige effecten op de betreffende gebieden hebben. Hiertoe is in de drie betreffende provincies (Noord-Brabant, Gelderland en Zuid-Holland) een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd. Omdat netto gezien geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden is het aannemelijk dat in de betreffende provincies de Natuurbeschermingswetvergunning kan worden verleend. Hiermee zijn er geen nadelige effecten op de betreffende gebieden.

Daarnaast dient gekeken te worden naar de mogelijke effecten op het gebied van geur en fijn stof.

Ten behoeve van geur is bij de voorgenomen ontwikkeling een geurberekening gemaakt voor zowel de voor- als achtergrondbelasting. Hierin is aangetoond dat de geurnormen met de voorgenomen ontwikkeling niet worden overschreden. In de Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014 is voor geur opgenomen dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger mag zijn dan 12 % en in het buitengebied niet hoger mag zijn dan 20 %. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt slechts op één woning niet aan deze norm voldaan. Echter is de bijdrage van het initiatief aan de overbelaste situatie dusdanig klein dat deze onder de zogenaamde afkapwaarde valt. Hiermee kan de voorgenomen ontwikkeling op het gebied van geur voldoen aan de gestelde normen en is geen aanvullende compensatie nodig.

De uitstoot van fijn stof is bij de voorgenomen ontwikkeling zeer gering. Dit is nader aangetoond met een berekening luchtkwaliteit (ISL3a). Hieruit blijkt dat de uitstoot van fijn stof zo gering is dat deze vrijwel op nihil te stellen is.

In de uitgevoerde haalbaarheidsonderzoeken en de toetsing van haalbaarheidsaspecten in deze toelichting komen verder ook geen effecten op te beschermen waarden in of in de omgeving van het plangebied naar voren. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.2.1 Gebiedsbescherming

De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. Sinds 1 oktober 2005 zijn hierin ook de bepalingen vanuit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn, aangevuld met de vroegere Beschermde- en Staatsnatuurmonumenten en het Verdrag van Ramsar verwerkt. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:

  • 1. Natura 2000 gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden).
  • 2. Beschermde Natuurmonumenten.
  • 3. Wetlands.

Naast deze drie soorten gebieden is er de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) die in het kader van de gebiedsbescherming van belang is. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 

  • 1. Vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden.
  • 2. Verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden.
  • 3. Verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Daarnaast is het bij uitbreiding van agrarische bedrijven van belang te kijken naar de invloed op mogelijke (zeer) kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij, de zogenaamde Wav-gebieden. Dit zijn voor verzuring gevoelige gebieden waarbij toename van de uitstoot van ammoniak op deze gebieden kan leiden tot een onevenredige aantasting ervan.

4.2.1.1 Natura 2000, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands

Natura 2000 gebieden:

De Natura 2000 gebieden bestaan uit de Vogelrichtlijngebieden en de Habitatrichtlijngebieden.

Vogelrichtlijngebieden:

De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle in het wild levende vogelsoorten in stand te houden. Het gaat niet alleen om de vogels zelf, maar ook om hun eieren, nesten en leefgebieden die voorkomen op het Europese grondgebied van de lidstaten. Na de publicatie van deze richtlijn in 1979 kregen de lidstaten twee jaar de tijd om de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te laten treden om aan de bepalingen en dus de doelstelling van deze richtlijn te voldoen.

Bij dit laatste gaat het globaal om twee zaken: enerzijds het implementeren van de richtlijnen binnen de Nederlandse regelgeving en anderzijds de aanwijzing van speciale beschermingszones. In 2000 heeft Nederland een aanvullende lijst van gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszone bij de Europese commissie ingeleverd.

Habitatrichtlijngebieden:

De Habitatrichtlijn richt zich op de biologische diversiteit door instandhouding van natuurlijke habitat en wilde flora en fauna na te streven. Centraal staat daarbij het behoud en herstel van deze natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten van communautair belang. Hiervoor wordt een Europees ecologisch netwerk gevormd door middel van de aanwijzing van speciale beschermingszones. Daarnaast regelt de Habitatrichtlijn ook soortenbescherming. Deze aanwijzingsprocedure, die verschilt van die in de Vogelrichtlijn, is nog niet afgerond en de aangemelde gebieden hebben nog geen definitieve status. Doch moeten sinds 1 februari 2009 ook worden opgenomen in vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet.

Beschermde Natuurmonumenten:

Beschermde Natuurmonumenten zijn gebieden die in belangrijke mate bijdragen aan de internationale doelstellingen voor het behoud van de biodiversiteit. Met de intrede van de Natura 2000 gebieden zijn de gebieden welke overlappen met een aanwijzing als Natura 2000 gebied komen te vervallen. Er zijn echter gebieden zonder aanwijzing als Natura 2000 gebied, welke bescherming behoeven. Een planologische bescherming (door het bestemmen als bos- en/of natuurgebied) is niet voldoende, omdat deze geen bescherming biedt tegen wijzigingen in de omgeving als stikstofdepositie, ammoniakdepositie of wijzigingen in de waterhuishouding. Bescherming van Beschermde Natuurmonumenten vindt daarom plaats middels de Natuurbeschermingswet.

Wetlands:

Op 2 februari 1971 is de Ramsar-conventie ondertekend. In Nederland is dit "Verdrag van Ramsar" op 23 september 1980 in werking getreden. Het Verdrag van Ramsar is gericht op het behoud van watergebieden van internationale betekenis, met name als verblijfplaats voor watervogels. Het toepassingsgebied van het Verdrag van Ramsar is het grondgebied van de partijen, hetgeen de territoriale zee omvat. Een belangrijke verplichting van de partijen bij het Verdrag van Ramsar is het aanwijzen van watergebieden die in aanmerking komen voor opname in een lijst van watergebieden met internationale betekenis.

Wetlands hebben verschillende functies, namelijk:

  • Wetlands zijn onmisbaar voor watervogels, zoals eenden, zwanen, ganzen en steltlopers, vooral als ze op internationale trekroutes van deze vogels liggen, en voor andere dieren die van water afhankelijk zijn.
  • In ondiepe kustzones zijn wetlands de kraamkamer voor vissen en andere zeedieren.
  • De gebieden worden gebruikt voor de visserij en scheepvaart, vormen een buffer tegen overstromingen, zorgen voor drinkwater (zoals in de Biesbosch) en kunnen worden gebruikt voor oeverrecreatie en als woonomgeving.

In Nederland zijn de Wetlands aangewezen als Natura 2000 gebieden, waarmee zij beschermd worden middels de Natuurbeschermingswet.

Zoals te zien in de volgende figuren is zowel de vertrek- als de vestigingslocatie niet in een Natura 2000 gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0021.jpg"
Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands, vertreklocatie.
Bron: Google; Alterra Wageningen UR; Ministerie van EL&I.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0022.jpg"

Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands, vestigingslocatie.
Bron: Google; Alterra Wageningen UR; Ministerie van EL&I.

De vertreklocatie is gelegen op een afstand van ongeveer 3,3 kilometer. Op deze afstand kan een ontwikkeling mogelijk nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Echter is op de vertreklocatie sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf waarbij de bestemming wordt omgeschakeld naar een bedrijfsbestemming tot milieucategorie 2. een niet-agrarisch bedrijf heeft geen uitstoot van ammoniak. Hiermee is vanuit de vertreklocatie geen sprake van nadelige effecten op de betreffende gebieden.

De vestigingslocatie is gelegen op een afstand van ongeveer 2,1 kilometer. Op deze afstand kan een ontwikkeling mogelijk nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Op de vertreklocatie is sprake van omschakeling van een melkveehouderij naar een geitenhouderij. Dit betreft een toename van de veestapel, met daarbij een toename van de uitstoot van ammoniak, wat nadelige effecten zou hebben op de betreffende gebieden. Voor de voorgenomen ontwikkeling is echter bij provincie Noord-Brabant en provincie Gelderland een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd. Deze kunnen en zullen uitsluitend worden verleend als de de ammoniakuitstoot op de betreffende gebieden niet zal toenemen. Om dit te bereiken zal extern worden gesaldeerd door het aankopen van ammoniakrechten. Door het elders wegnemen van ammoniakrechten zal de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden netto gezien niet toenemen. Hiermee is het aannemelijk dat de Natuurbeschermingswetvergunningen kunnen worden verleend en dat geen sprake zal zijn van een nadelig effect op de betreffende gebieden.

4.2.1.2 Ecologische Hoofdstructuur en Ecologische Verbindingszones

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van grote en kleine natuurgebieden waarin de natuur (plant en dier) voorrang heeft en wordt beschermd. Daarmee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen en planten en dieren uitsterven, waardoor natuurgebieden hun waarde zouden verliezen. De EHS wordt gezien als de ruggengraat van de natuur.

De EHS bestaat uit:

  • Bestaande natuurgebieden, reservaten, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones hiertussen.
  • Landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden).
  • Grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).

Een Ecologische Verbindingszone (EVZ) is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur). Ecologische Verbindingszones worden aangelegd om migratie van dieren en planten tussen verschillende natuurgebieden mogelijk te maken.

De ligging van een projectlocatie binnen de EHS (met bijbehorende beheersgebieden) of een EVZ betekent een beperking in de ontwikkelingsmogelijkheden. Het uitgebreide netwerk van natuurgebieden mag niet in onevenredige mate worden verstoord. In enkele gevallen wordt uitbreiding of ontwikkeling in of nabij een natuurgebied toegestaan, mits de geschade natuur op passende wijze wordt gecompenseerd.

Zoals te zien in de volgende figuren zijn zowel de vertrek- als de vestigingslocatie niet in de EHS of een EVZ gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0023.jpg"
Ecologische Hoofdstructuur vertreklocatie.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0024.jpg"

Ecologische Hoofdstructuur vestigingslocatie.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien beide locaties niet in de EHS of in een EVZ is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het project de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.1.3 Kwetsbare gebieden ingevolge de Wet ammoniak en veehouderij

Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de nieuwe ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze nieuwe regelgeving kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

Beide locaties zijn niet in of nabij een WAV-gebied gelegen. Ook is geen van beide locaties in een zone van 250 meter rondom een WAV-gebied gelegen. Hiermee zullen geen Wav-gebieden onevenredig worden aangetast met de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.2 Soortenbescherming

Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Voor de soortenbescherming geldt dat deze voor elk plangebied geldt. In elk gebied kunnen bijzondere soorten voorkomen en/of elk plangebied kan geschikt zijn voor deze soorten. Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het tijdig maaien van taluds of het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden buiten het broedseizoen. Bij realisatie van dit project zal deze zorgplicht in acht worden genomen.

In het kader van de soortenbescherming dient beoordeeld te worden wat via het ruimtelijke project wordt toegelaten in aanvulling op wat al mogelijk is. Zo is sloop van bebouwing of het verrichten van werken (maaien, kappen etc.) vaak ook al mogelijk zonder een ruimtelijk besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee wordt voorliggend plan echter niet ontslagen van een integrale blik op het totale project: dus inclusief ingrepen die ook zonder het beoogde Wro-besluit mogelijk zijn.

De Flora- en faunawet maakt onderscheid in verschillende categorieën waarin de beschermde soorten flora en fauna zijn onderverdeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende categorieën:

  • Soorten van lijst 1 van de Flora- en faunawet.
  • Soorten van lijst 2 en/of 3 van de Flora- en faunawet.
  • Soorten van de Rode Lijst van het ministerie van EL&I.

Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 1 van de Flora- en faunawet staan geldt een vrijstelling. Bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.

Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 2 en/of 3 van de flora- en faunawet staan geldt dat deze ontheffingsplichtig zijn. Het is echter niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen wanneer mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. Dit houdt in dat maatregelen moeten worden getroffen om mogelijke schade te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.

Voor mogelijk voorkomende soorten die op de rode lijst van het Ministerie van EL&I staan geldt dat deze soorten, zolang zij niet in een van de andere bijlagen uit de Flora- en faunawet (inclusief vogel- en habitatrichtlijn), geen juridische bescherming genieten en dat geen ontheffing nodig is.

Daarnaast zijn voor vogels richtlijnen opgenomen vanuit de Vogelrichtlijn. Alle vogels zijn namelijk beschermd in het kader van de vogelrichtlijn. Werkzaamheden in en in de omgeving van het plangebied tijdens de broedtijd (15 maart -15 juli) zullen sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van reproductie. Werkzaamheden in deze periode zijn dan ook niet toegestaan. Indien broedvogels binnen het broedseizoen worden verstoord, wordt wettelijk gezien geen ontheffing verleend. Buiten het broedseizoen kan wel ontheffing worden verleend.

Tevens zijn voor enkele soorten richtlijnen opgenomen vanuit de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten zijn beschermde gebieden aangewezen (Natura 2000). Bescherming van deze soorten vindt plaats door de gebiedsbescherming.

De grond op zowel de vertrek- als de vestigingslocatie bestaat voornamelijk uit landbouwgrond en agrarisch erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het plangebied geen beschermde soorten planten bevinden. Hiermee kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen bedreigde soorten planten worden aangetast.

De vertreklocatie is gelegen in een stedelijk gebied en heeft weinig tot geen opgaande beplanting. Het betreft een agrarisch erf, waarbij de bedrijvigheid dieren afschrikt Hiermee is het aannemelijk dat zich ter plaatse van de vertreklocatie geen beschermde diersoorten zullen bevinden.

De vestigingslocatie is gelegen in een agrarisch gebied en betreft een agrarisch erf. Het bouwvlak zal niet veranderen. De bedrijvigheid ter plaatse schrikt diersoorten af, waardoor het niet aannemelijk is dat zich ter plaatse beschermde soorten dieren zullen bevinden.

Hierdoor kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen beschermde diersoorten worden aangetast.

Binnen het plangebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. Om te voorkomen dat mogelijk toekomstige broedplaatsen worden aangetast dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. De werkzaamheden zullen dan ook buiten het broedseizoen plaatsvinden, waarmee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen vogels en broedplaatsen worden aangetast.

4.3 Verkeer en parkeren

Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.

4.3.1 Ontsluiting

De vertreklocatie is goed ontsloten op de Hoofdstraat. De vertreklocatie is voorzien van een inrit welke aansluit op de Hoofdstraat. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Ook de vestigingslocatie is goed ontsloten op de Dodesteeg met een inrit. Ook op de vestigingslocatie heeft het inkomend verkeer voldoende ruimte het bedrijf te betreden en te verlaten, waardoor geen onevenredige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op beide locaties is op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

4.3.2 Verkeersbewegingen

Op de vertreklocatie is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf, waarbij de bestemming wordt omgezet naar een bedrijf tot maximaal milieucategorie 2. Gezien bij een niet-agrarisch bedrijf tot milieucategorie 2 minder verkeersbewegingen plaatsvinden dan bij een veehouderij, zal het aantal verkeersbewegingen ten aanzien van de huidige situatie afnemen.

Op de vestigingslocatie is sprake van omschakeling van een melkveehouderij naar een geitenhouderij.

Bij een geitenhouderij behoren een aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week en incidentele verkeersbewegingen (in bepaalde perioden). De onderverdeling is als volgt te maken:

Vaste verkeersbewegingen:

  • Ophalen melk met tankwagen - 3x per week, resulteert in 6 verkeersbewegingen per week;
  • Bulkwagen met krachtvoer - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteert in 1 verkeersbeweging per week;
  • Ophalen/afvoeren dieren - 0,5x per week (1x in 14 dagen), resulteert in 1 verkeersbeweging per week;
  • Servicebus (onderhoud en techniek) - 1x per week, resulteert in 2 verkeersbewegingen per week;
  • Levering overige goederen (bestelbus) - 2x per week, resulteert in 4 verkeersbewegingen per week.

Totaal: ongeveer 14 verkeersbewegingen per week, waarvan 8 met vrachtverkeer.

Daarnaast is sprake van een agrarische bedrijfswoning met verkeersbewegingen voor privédoeleinden.

Incidentele verkeersbewegingen:

Bij het bedrijf is sprake van opslag van ruwvoer. Bij de opslag van het voer zullen incidenteel extra verkeersbewegingen plaatsvinden. Deze incidentele verkeersbewegingen zullen, gezien het ruwvoer eerst moet worden geoogst, uitsluitend plaatsvinden in de oogstperiode. Gezien de incidentele aard en gezien het verkeer ten behoeve van de opslag vrijwel meteen geheel in het normale verkeer in de omgeving zal zijn opgenomen kan dit verder buiten beschouwing worden gelaten.

Concreet gezegd zal het aantal verkeersbewegingen toenemen met ongeveer 14 per week (gemiddeld 2 per dag). In het verleden had het melkveebedrijf een vergelijkbaar of wellicht zelfs groter aantal verkeersbewegingen. Gezien de Dodesteeg in het verleden voldoende capaciteit had om het verkeer van dit bedrijf te verwerken kan worden gesteld dat de Dodesteeg eveneens voldoende capaciteit zal hebben het verkeer van de geitenhouderij te kunnen verwerken. Hiermee wordt de toename van het aantal verkeersbewegingen niet als belemmering gezien.

4.3.3 Infrastructuur

Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de bestaande infrastructuur. Hierbij is het van belang de bestaande infrastructuur zoveel mogelijk te behouden en, waar mogelijk, te versterken.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingswegen, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingswegen rijdt dan dat deze kan verwerken.

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

4.3.4 Parkeren

In de huidige situatie vindt het parkeren op beide locaties geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van de plannen geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van de plannen zal er op beide locaties op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van de plannen, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4 Archeologie en cultuurhistorie

4.4.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

De gemeente Aalburg heeft een eigen archeologiebeleid vastgesteld, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in beeld is gebracht op een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de waarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Op de vertreklocatie zal de bebouwing geheel behouden blijven. Ook zullen geen nieuwe bouwwerken worden opgericht. Er zullen bij de voorgenomen ontwikkeling op de vertreklocatie geen bodemingrepen plaatsvinden, waardoor geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden aangetast.

Zoals te zien op de archeologische verwachtingskaart, welke is weergegeven in de volgende figuur, is de vestigingslocatie deels gelegen in een gebied met een hoge verwachtingswaarde, deels in een gebied met een middelhoge verwachtingswaarde en deels in een gebied met een lage verwachtingswaarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0025.jpg"
Archeologische verwachtingswaarde.
Bron: Gemeente Aalburg.

Bij de voorgenomen ontwikkeling blijft de bestaande bebouwing grotendeels behouden. Er worden nieuwe gebouwen opgericht, maar deze worden opgericht in het deel van de locatie dat is gelegen in het gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. In de delen met een middelhoge en/of hoge verwachtingswaarde zullen geen bodemingrepen plaatsvinden.

Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van aantasting van mogelijk voorkomende archeologische waarden.

Eventuele vondsten tijdens de werkzaamheden zullen terstond aan het bevoegd gezag worden gemeld.

Het beleid aan de hand van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente is vastgelegd in het bestemmingsplan "Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen". Het bepaalde in dat plan blijft, naast dit plan, geheel onverkort van toepassing.

4.4.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Om de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld te brengen is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld.

Volgens de CHW, zoals weergegeven in de volgende figuren, zijn zowel de vertrek- als de vestigingslocatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0026.jpg"
Uitsnede CHW vertreklocatie.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0027.jpg"

Uitsnede CHW vestigingslocatie.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

De vertreklocatie is gelegen aan een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde. Het betreft hier de Hoofdstraat. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de huidige bebouwing blijven bestaan. Het beeld vanuit de Hoofdstraat zal daarmee niet veranderen. Tevens is geen sprake van veranderingen aan de Hoofdstraat zelf. Hiermee is het niet aannemelijk dat ter plaatse van de vertreklocatie met de voorgenomen ontwikkeling cultuurhistorische waarden worden aangetast.

De vestigingslocatie is niet aan een historisch waardevolle lijn gelegen. De cultuurhistorisch waardevolle (zicht)lijnen zijn op voldoende afstand van de locatie gelegen en zullen met de voorgenomen ontwikkeling niet worden aangetast.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van aantasting van cultuurhistorische waarden.

4.4.3 Aardkundige waarden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn beide locaties niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0028.jpg"
Aardkundig waardevolle gebieden, beide locaties weergegeven.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locaties niet in een aardkundig waardevol gebied zijn gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundige waarden worden aangetast.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.5.1 Waterparagraaf

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening.

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.

4.5.2 Waterbeleid

De locaties vallen binnen het werkgebied van waterschap Rivierenland.

Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor, en werkt voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar rivierenland. Dit is de missie van Waterschap Rivierenland. De visie van Waterschap Rivierenland bestaat concreet uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld.

Voor allerlei zaken die worden uitgevoerd rondom huis, tuin, erf of bedrijf krijgt men te maken met regels van de overheid. Voor bijvoorbeeld het bouwen van een huis of het slopen daarvan, dan is toestemming nodig van de gemeente. In bepaalde situaties gelden ook regels van het waterschap. Waterschap Rivierenland mag zijn taken onder andere uitvoeren op grond van een wet (verordening) genaamd: de Keur Waterschap Rivierenland 2009, verder aangehaald als "Keur". Hierin staat wat er gedaan moet worden (geboden) en wat er niet mag (verboden) bij een watergang of bij een waterkering (dijken e.d.).

In de geboden staat voorgeschreven wat gedaan moet worden om te zorgen dat de watergangen en waterkeringen in stand blijven. Hierin is opgenomen dat voor B-watergangen een beschermingszone geldt van 1 meter aan weerszijden van de betreffende watergang die obstakelvrij moet blijven. In de verboden staan die zaken welke in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van watergangen of waterkeringen. Verder staan er in de Keur ook regels die gaan over onderhoudsverplichtingen voor aanwonenden langs watergangen en waterkeringen.

Voor bepaalde activiteiten vlakbij een watergang of waterkering die weinig invloed hebben zijn algemene regels opgesteld. Voldoen de uit te voeren activiteiten aan de voorwaarden in de algemene regels, is geen watervergunning nodig. Dit houdt in dat de uit te voeren activiteit alleen schriftelijk moet worden 'gemeld' bij het waterschap, waarna men een toestemmingsbrief ontvangt.

Voor alle uit te voeren activiteiten die niet voldoen aan de algemene regels, kan een watervergunning worden aangevraagd. Omdat het over een verbod gaat, wil het waterschap deze activiteiten eigenlijk niet. Daarom zal de aanvrager duidelijk moeten maken waarom de activiteit voor hem van belang is. Als dat belang niet duidelijk is, of het waterschap vindt het belang niet groot genoeg ten opzichte van het belang van het waterschap of derden (buren e.d.), zal een aanvraag voor een watervergunning worden geweigerd. De Waterwet stelt in dit verband dat een besluit op grond van de Keur het zogenaamde 'nee-tenzij' principe kent.

Waterschap Rivierenland heeft een openbare taak. Deze komt onder andere voort uit de toepassing van de Keur Waterschap Rivierenland 2009 en de legger, en richt zich vooral op de bescherming en instandhouding van de bestaande waterstaatswerken (wateren en waterkeringen). De Keur verbiedt allerlei werken en handelingen die waterstaatswerken nadelig kunnen beïnvloeden. Voor werken en handelingen die meestal onder voorschriften- toch kunnen worden toegelaten kent de Keur een watervergunningsmogelijkheid.

Het waterschap heeft twee belangrijke hoofdtaken:

  • zorg voor de waterkerende functie en daarmee voor de veiligheid van het gehele beheergebied;
  • zorg voor het watersysteem, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Voor beide taken geeft het waterschap daarbij uitvoering aan wet- en regelgeving van rijk en provincies. Beleidsregels hebben zowel externe als interne werking. Beleidsregels zijn in principe ook voor het opstellen van een watertoetsadvies richtinggevend. Als daarom voor nieuw stedelijk gebied een positief watertoetsadvies is afgegeven, wordt de aanvraag om watervergunning in principe vooral aan dat advies getoetst. In veel gevallen zal dat tot een vlotte watervergunningsprocedure kunnen leiden.

Met het waterbeleid stelt het waterschap de volgende doelen:

  • beschermen van de functie van watergangen;
  • beschermen van het watersysteem.

Om deze doelen na te streven heeft het waterschap beleidsregels in de Keur vastgesteld. Als de berging als gevolg van de werkzaamheden minder wordt, moet hiervoor worden gecompenseerd. Dat betekent dat binnen hetzelfde peilvak, zo dicht mogelijk bij de ingreep, eenzelfde hoeveelheid waterberging gegraven moet worden. Dit geldt voor alle ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hierbij hanteert het waterschap de volgende normen:

  • Stenen bebouwing: 436 m3 per hectare.
  • Kassen/glastuinbouw: 580 m3 per hectare.
  • Maximale peilstijging oppervlaktewater: 0,3 meter.
  • Maximale berging in bassin: 75%.

Hierbij geldt een vrijstelling tot een verhard oppervlak van 1.500 m2.

Bij nieuwe ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename aan verhard oppervlak is een watertoets vereist. Middels een watertoets moet worden aangetoond dat hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. De hierop volgende paragrafen dienen ter verantwoording van de voorgenomen ontwikkeling op het gebied van de waterhuishouding (watertoets). Hierbij zullen deze normen worden gehanteerd.

4.5.3 Aandachtsgebieden

Volgens de waterkaarten van provincie Noord-Brabant, zoals weergegeven in de volgende figuur, zijn beide locaties niet in een aandachtsgebied of beschermingsgebied voor water gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0029.jpg"

Uitsnede Wateratlas, beide locaties weergegeven.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Geconcludeerd kan worden dat de planlocaties niet in een gebied zijn gelegen waar problematiek speelt ten aanzien van water. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsuitgangspunten van het waterschap, mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.

4.5.4 Watergangen

Aan de zuidzijde van de locatie Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg (vestigingslocatie) is een B-watergang gelegen. Aan de oostzijde van de van de vestigingslocatie is een watergang met een B-berm status gelegen. Voor deze watergangen geldt een beschermingszone van 1 meter aan weerszijden van de watergang welke obstakelvrij dient te blijven.

Zoals te zien in de volgende figuur is het bouwvlak ter plaatse van de vestigingslocatie op meer dan 1 meter van de betreffende watergangen gelegen. Hiermee kan geen bedrijfsbebouwing binnen de beschermingszones worden opgericht. Gezien de watergangen en de bijbehorende beschermingszones buiten het bouwvlak van de vestigingslocatie liggen zijn deze niet in dit plan opgenomen. Bescherming van de watergangen en beschermingszones vindt plaats door middel van de bepalingen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan van de gemeente Aalburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0030.jpg"

Luchtfoto met bouwvlak.
Bron: Google; Gemeente Aalburg; www.ruimtelijkeplannen.nl.

4.5.5 Referentiesituatie

De vertreklocatie bevindt zich aan de Hoofdstraat 92 in Genderen en heeft de bestemming 'Agrarisch'. De locatie is gelegen aan de rand van de kern Genderen, grenzend aan het landelijk gebied van de gemeente. Ter plaatse is een gecombineerde rundvee- en geitenhouderij gevestigd.

De vestigingslocatie bevindt zich aan de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg en heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'. De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente. Ter plaatse is een (voormalig) grondgebonden agrarisch melkveehouderijbedrijf gevestigd.

Op de vertreklocatie zal geen sprake zijn van sloop en/of toename van bebouwing. Derhalve wordt de vertreklocatie in deze watertoets buiten beschouwing gelaten.

Op de vestigingslocatie is in de huidige situatie een agrarisch melkveebedrijf gelegen. Er is ter plaatse geen sprake van wateroverlast. Hiermee kan worden aangenomen dat het huidige watersysteem voor het daar gevestigde bedrijf voldoende capaciteit biedt om wateroverlast te voorkomen. Ter plaatse wordt het hemelwater middels dakgoten en straatkolken afgevoerd naar omliggende watergangen. Aan zowel de zuidzijde als de oostzijde van het perceel zijn watergangen van het waterschap gelegen. Die aan de zuidzijde is een watergang met een B-status. Die aan de oostzijde een met een B-berm status. De B-berm watergang is voorzien van een duiker ter plaatse. In bijlage 7 van dit plan is een weergave opgenomen van het huidige watersysteem ter plaatse.

4.5.6 Voorgenomen activiteit

Op de vertreklocatie is het wenselijk de daar gevestigde geitenhouderij te beëindigen. Hierbij zal de bestemming worden omgeschakeld naar een bedrijfsbestemming tot maximaal milieucategorie 2. Hierbij zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande bebouwing. Er zal niets worden gebouwd of worden gesloopt. Er is dus geen sprake van een toe- of afname van het verharde oppervlak ter plaatse van de vertreklocatie. De vertreklocatie zal bij deze watertoets dan verder ook buiten beschouwing worden gelaten.

Op de vestigingslocatie zal het bestaande melkveehouderijbedrijf worden omgezet naar een geitenhouderijbedrijf. Hierbij is het wenselijk een nieuwe stal voor melkgeiten op te richten. Daarnaast zal een nieuwe open opslag en een nieuwe mestopslag worden opgericht.

Om de bouw van de nieuwe stal mogelijk te maken zal de huidige open opslag worden gesloopt.

Het totale oppervlak aan nieuwe bebouwing bedraagt ongeveer 1.760 m2. Daarnaast zal ongeveer 1.150 m2 aan nieuwe erfverharding worden aangelegd. Hiervan zal echter 850 m2 uit verharding van gebroken puin bestaan en kan worden aangemerkt als semi-verhard. Het te slopen gebouw heeft een oppervlakte van ongeveer 125 m2. In totaal zal dus 2.910 - 125 = 2.785 m2 aan nieuw verhard oppervlak worden aangelegd, waarvan 850 m2 is aan te merken als zijnde semi-verhard.

4.5.7 Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).

De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging.

Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).

In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorden:

  • 1. Afkoppelen van schoon hemelwater zodat dit niet in het vuilwaterriool komt en waardoor het vuile water geconcentreerder wordt waardoor verwerking ervan beter verlopen kan.
  • 2. Opvangen en vasthouden van gebiedseigen water. Dit door middel van infiltratie in de bodem in het plangebied (als dat kan) of anders infiltratie in de omgeving en/of het 'getrapt' afvoeren via opvangbekkens naar het oppervlaktewater.
  • 3. Goed zorgen voor (de mogelijkheden voor) waterinfrastructuur zoals dijken langs de kust, rivieren en andere waterwegen.

In de nieuwe situatie zal worden voldaan aan de volgende eisen:

  • Hydrologisch neutraal bouwen.
  • Afvoer vanuit het gebied neemt niet toe (maximale toegestane afvoer op basis van de landelijke afvoer van 1,5 L/s/ha).
  • Voldoet aan een regenbui T=10+10% en T=100+10%.

Uit de grondwaterkaarten van Provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat op basis van de redelijk diepe grondwaterstand in het plangebied, zoals weergegeven in de volgende figuur, en de doorlatendheid van de bodem, infiltratie van hemelwater wellicht mogelijkheden biedt. Voorwaarde voor infiltratie is dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) niet hoger komt dan 50 centimeter onder maaiveld (cm-mv). De daadwerkelijke GHG ter plaatse bedraagt 60-100 cm-mv. Hierdoor is infiltratie in de bodem wellicht mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0738.BP8003-VG01_0031.jpg"
Grondwaterstanden (plangebied vestigingslocatie indicatief ingetekend).
Bron: Privincie Noord-Brabant.

De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak, de maximaal toelaatbare peilstijging en het infiltratievermogen van de bodem. Met behulp van de normen van Waterschap Rivierenland kan de benodigde capaciteit aan waterberging worden berekend. Hiertoe dient eerst de toename van het verharde oppervlak te worden berekend. Dit is als volgt gedaan:

Bestaande bebouwing: ongeveer 800 m2
Bestaande erfverharding: ongeveer 650 m2
Totaal bestaand: ongeveer 1.450 m2 verhard oppervlak

Te slopen bebouwing: ongeveer 50 m2
Te verwijderen erfverharding: ongeveer 130 m2
Totaal te slopen/verwijderen: ongeveer 180 m2 verhard oppervlak

Nieuw te bouwen bebouwing: ongeveer 1.760 m2
Nieuw aan te leggen erfverharding: ongeveer 1.280 m2
Totaal nieuw: ongeveer 3.040 m2 verhard oppervlak.

De toename van het verhard oppervlak wordt berekend op basis van het nieuw aan te leggen verharde oppervlak minus het te slopen/verwijderen verharde oppervlak. Er is sprake van een toename van het verhard oppervlak met 3.040 - 180 = 2.860 m2.

Hiermee kan de berekening voor de benodigde compensatie als volgt worden gemaakt:

Totale toename verhard oppervlak: 2.860 m2
Vrijstelling waterschap: 1.500 m2
Nog te compenseren: 1.360 m2

1.360 m2 is 0,136 hectare (1.360/10.000).
Norm waterschap stenen bebouwing: 436 m3 per hectare.

Noodzakelijke bergingscapaciteit: 436 x 0,1360 = 59,296 m3.

Afgerond is dus een totale bergingscapaciteit nodig van 59 m3.

Hierbij geldt een maximale peilstijging van 30 cm. De effectieve bergingsdiepte van een voorziening mag dus niet meer bedragen dan 30 cm. Dit in acht genomen resulteert dit in een minimale noodzakelijke oppervlakte aan waterberging van 59/0,3 = 197 m2.

Bij berekening van de benodigde bergingscapaciteit is het infiltratievermogen van de bodem niet meegenomen. Het meenemen van het infiltratievermogen van de bodem in de berekening resulteert vaak in een lagere benodigde bergingscapaciteit.

Mocht het voor de initiatiefnemer wenselijk zijn te kunnen volstaan met minder bergingscapaciteit dan aangegeven dan zal in een later stadium alsnog een infiltratieonderzoek worden uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dat onderzoek zal dan met het waterschap in overleg worden getreden om de mogelijkheden voor het komen tot een mogelijk lagere benodigde bergingscapaciteit te bepalen.

4.5.8 Schoon inrichten

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

De vestigingslocatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.

Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

4.5.9 Waterberging

Zoals aangetoond in de paragraaf "Waterbeleid" (paragraaf 4.5.2) is de vestigingslocatie niet in een gebied gelegen waar problematiek speelt rondom water. Hiermee worden geen belemmeringen verwacht voor realisatie van waterberging. Om hydrologisch neutraal te bouwen en versnelde afvoer te voorkomen, wordt waterberging toegepast.

Zoals blijkt uit de gegevens uit de paragraaf "Hydrologisch neutraal ontwikkelen" (paragraaf 4.5.7) is voor de berging van het water een capaciteit nodig van 59 m3. Gezien de maximale peilstijging van 30 cm resulteert dit in een minimale oppervlakte van 197 m2.

Aan de zuidzijde van het perceel is een kavelsloot gelegen. Wens van de initiatiefnemer is om deze sloot te verbreden, waarbij deze voldoende zal worden vergroot om de gestelde capaciteit te kunnen bergen. Deze sloot staat in verbinding met het watersysteem in de omgeving en blijft daarom onderdeel uitmaken van het effectieve watersysteem.

De locatie en een dimensionering van de te verbreden sloot is in het landschappelijk inrichtingsplan, zoals is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen, nader uitgewerkt. Voor de betreffende sloot geldt een beschermingszone van 1 meter. Deze zal, ook na verbreding, obstakelvrij blijven. De diepte van de sloot zal aansluiten bij de bestaande slootdiepte.

Voor de gewenste waterbergingsvoorziening is een Watervergunning in het kader van de Waterwet nodig. Een Watervergunning zal separaat bij het waterschap worden aangevraagd. Hierbij wordt opgemerkt dat wanneer de verbreding plaatsvindt op een perceel van een andere eigenaar(s) hiervoor eerst bij de aanvraag van de Watervergunning schriftelijk toestemming van de betreffende eigenaar(s) dient te worden verkregen. Indien sprake is van grond in eigendom van een ander dan zal bij de aanvraag van de Watervergunning dan zal de betreffende eigenaar eerst om een schriftelijke toestemming worden gevraagd.

Daarnaast is mogelijk een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of een ontheffing op de Keur van het Waterschap. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Het bouwplan is een bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplan ex artikel 6.12 Wro. Hierin is het onderdeel grondexploitatie opgenomen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit plan een anterieure overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de bestemmingsplanprocedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Aalburg.

Verder zal ook eventuele planschade in de overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het plan financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening op de bestemmingsplannen "Genderen" en "Buitengebied" van gemeente Aalburg en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Aalburg vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een vrijstelling.

Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanregels die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.

Handhaving zal, indien nodig, plaatsvinden aan de hand van het handhavingsbeleid van de gemeente Aalburg.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste 2 paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden).

Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);

en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid, de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels: 
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels: 
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels: 
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de regels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

6.3.1 Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Agrarisch' waarbij de functie voor agrarisch gebruik van de gronden wordt neergelegd;
  • 'Agrarisch met waarden - Landschap' waarbij de functie voor agrarisch gebruik voor de gronden wordt neergelegd, alsmede mogelijkheden voor agrarische bedrijfsvoering;
  • 'Bedrijf' waarbij de functie voor een bedrijf tot ten hoogste milieucategorie 2 conform de bij de regels van dit plan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten mogelijk wordt gemaakt.

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

  • Op de locatie Hoofdstraat 92, Genderen wordt de huidige agrarische bestemming omgezet naar de bestemming "Bedrijf", waarbij in de regels een bepaling wordt opgenomen die ten hoogste een bedrijf in de milieucategorie 2, welke aansluit bij het toegestane in de bij de regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, toestaat;
  • Op de locatie Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg wordt een aanduiding toegevoegd die geitenhouderij ter plaatse mogelijk maakt.
  • Voor het opstellen van de planregels is bij dit plan aangesloten bij de regels zoals zijn opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan "Genderen" en het voorontwerpbestemmingsplan "Buitengebied van de gemeente Aalburg. Dit is gedaan om strijdigheid met het toekomstige beleid te voorkomen.
  • Naast dit plan blijft het bepaalde in het bestemmingsplan "Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen" van gemeente Aalburg onverkort van toepassing.

De voorgenomen bestemmingswijziging legt hierbij de verplaatsing van de geitenhouderij van de Hoofdstraat 92 te Genderen naar de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg vast, waarbij de locatie aan de Hoofdstraat 92 te Genderen wordt herbestemd tot bedrijf, waarmee hervestiging van een agrarisch bedrijf daar onmogelijk wordt gemaakt.

Momenteel is sprake van een aanpassing van het provinciaal beleid. Dit beleid is echter nog in de ontwerpfase, waarmee de opgenomen bepalingen nog niet zijn vastgesteld. Wel dient aan het nieuwe provinciaal beleid getoetst te worden. Gezien een overbelaste situatie op het gebied van geur zou de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk zijn vanuit het nieuwe beleid. Echter wordt, in overleg met de provincie, gezocht naar een maatwerkoplossing. Als met de provincie het overleg heeft plaatsgevonden dan kunnen de bij dit plan opgenomen regels nog wijzigen naar aanleiding van de aangedragen maatwerkoplossing.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 7 Inspraak en reacties

In dit hoofdstuk worden eventueel ingekomen zienswijzen en reacties behandeld.

7.1 Inspraak

Bij de totstandkoming van dit plan is nauw overleg gevoerd met de provincie Noord-Brabant. Daarnaast is een informatieavond gehouden voor belanghebbenden en omwonenden. Op het plan zijn geen formele inspraakreacties ingekomen. Wel is het plan in overleg met de provincie in de conceptfase aangepast en aangevuld waar nodig.

7.2 Vooroverlegreacties

In het kader van vooroverleg is het voorliggend plan ter beoordeling aangeboden aan provincie Noord-Brabant en waterschap Rivierenland. Beiden hebben op het plan gereageerd. In de volgende paragrafen zijn de ingekomen reacties nader uitgewerkt. Hierbij is eveneens opgenomen op welke wijze is omgegaan met de betreffende reacties.

7.2.1 Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant

Bij brief van 11 juni 2014 (kenmerk C2148698/3602366) heeft de provincie Noord-Brabant in het kader van het wettelijk vooroverleg op het plan gereageerd. In deze reactie stelt de provincie dat zij in kunnen stemmen met de inhoud van het plan, mits de opmerkingen die zij nog hebben in acht worden genomen. Zij hebben hierbij, kort samengevat, de volgende opmerkingen:

  • 1. Artikel 3.1, sub b van de planregels staat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning toe. Het betreft hier echter een deel met een agrarische bestemming zonder bouwvlak, waarbij deze aanduiding niet is opgenomen. De bouw van een woning is daarom niet mogelijk. De bepaling werkt verwarrend en past niet binnen de juridische systematiek van het plan. Er wordt verzocht deze bepaling te verwijderen.
  • 2. Artikel 4.2.1, sub b van de planregels betreft voorschriften voor gebouwen ten behoeve van een veehouderij. De bestemmingsomschrijving in artikel 4.1 sluit andere veehouderijen dan geitenhouderij uit, waarmee waarschijnlijk in het betreffende artikel bebouwing ten behoeve van een geitenhouderij bedoeld wordt in plaats van bebouwing ten behoeve van een veehouderij.
  • 3. Het voorliggend plan bevat in de bijlage een landschappelijk inrichtingsplan voor zowel de vertreklocatie als de vestigingslocatie. Deze landschappelijke inpassing voldoet aan de regionale afspraken, maar dient nog wel vastgelegd te worden in een anterieure overeenkomst. Hiermee is het in strijd met artikel 3.2 dan wel artikel 7.3, lid in van de Verordening Ruimte 2014.

Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant, naast de formele vooroverlegreactie, nog de volgende opmerkingen geplaatst:

  • 4. Op de verbeelding betreffende de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg is nog een 'verwevingsgebied' opgenomen. Deze aanduiding is met intrekking van de Reconstructieplannen komen te vervallen. Daarnaast komt de aanduiding niet terug in de regels van het plan. Verzocht wordt de aanduiding te verwijderen.
  • 5. De afwijkingsregels in artikel 9 van dit plan bevatten bepalingen die van toepassing zijn bij burgerwoningen. Het voorliggend plan bevat geen burgerwoningen, waarmee de betreffende bepalingen niet van toepassing zijn. Verzocht wordt deze bepalingen te verwijderen.
  • 6. De regels in artikel 12 van dit plan bevatten bepalingen betreffende parkeergelegenheden bij burgerwoningen. Voorliggend plan bevat geen burgerwoningen, waarmee de betreffende bepalingen niet van toepassing zijn. Verzocht wordt deze bepalingen te verwijderen.

Voor de volledige vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant wordt verwezen naar bijlage 8 van dit plan.

Bij behandeling van de vooroverlegreactie is als volgt met de opmerkingen van provincie Noord-Brabant omgegaan:

  • 1. De betreffende bepaling in artikel 3.1, sub b is verwijderd uit het plan.
  • 2. De betreffende bepaling in artikel 4.2.1, sub b is aangepast. De term 'veehouderij' is hierbij vervangen door 'geitenhouderij'.
  • 3. Inmiddels is tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten waarin de landschappelijke inpassing is geborgd. Hiermee is de landschappelijke inpassing vastgelegd in een anterieure overeenkomst en is geen sprake meer van strijdigheid met de betreffende bepalingen uit de Verordening Ruimte 2014.
  • 4. De betreffende aanduiding is van de verbeelding voor de Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg verwijderd.
  • 5. De betreffende bepalingen uit artikel 9 die betrekking hebben op burgerwoningen zijn uit de regels verwijderd.
  • 6. De betreffende bepalingen uit artikel 12 die betrekking hebben op parkeren bij burgerwoningen zijn uit de regels verwijderd.
7.2.2 Vooroverlegreactie waterschap Rivierenland

Bij brief van 28 mei 2014 (kenmerk 201408606/279545) heeft het waterschap Rivierenland in het kader van wettelijk vooroverleg op het plan gereageerd. In de vooroverlegreactie geven zij aan akkoord te zijn met de inhoud van het plan, mits de opmerkingen die zij nog hebben in acht worden genomen. Zij hebben hierbij, kort samengevat, de volgende opmerkingen:

  • 1. In de toelichting (paragraaf 4.5, waterparagraaf) ontbreekt een beschrijving van het huidige watersysteem van de locatie Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg. Verzocht wordt om in de waterparagraaf een beschrijving op te nemen van het huidige watersysteem. Het waterschap heeft hiervoor een kaart van het huidige watersysteem beschikbaar gesteld.
  • 2. Aan de zuidzijde van de locatie Dodesteeg 1 te Wijk en Aalburg is een watergang met een B-status gelegen. Aan de oostzijde van deze locatie is een watergang met een B-berm status gelegen. Beide watergangen hebben een beschermingszone van 1 meter aan weerszijden die obstakelvrij moet blijven. Verzocht wordt om in het voorliggend plan rekening te houden met de watergangen en beschermingszones.
  • 3. In het plan wordt gesteld dat de initiatiefnemer voornemens is een B-watergang te verbreden. Het waterschap geeft aan dat hiervoor een Watervergunning in het kader van de Waterwet nodig is. Indien de verbreding plaatsvindt op gronden in eigendom van een ander dan dient bij aanvraag van de Watervergunning eveneens een schriftelijke toestemming van de betreffende eigenaar(s) verkregen te worden.

Voor de volledige vooroverlegreactie van het waterschap wordt verwezen naar bijlage 9 van dit plan.

Bij behandeling van de vooroverlegreactie is als volgt met de opmerkingen van het waterschap Rivierenland omgegaan:

  • 1. In de toelichting is in de paragraaf "Referentiesituatie" (paragraaf 4.5.5) een beschrijving van het huidige watersysteem van de locatie Dodesteeg 1 opgenomen. De kaart van het waterschap is als bijlage 7 bij dit plan opgenomen.
  • 2. In de toelichting is de paragraaf "Watergangen" (paragraaf 4.5.4) toegevoegd. In deze paragraaf is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de betreffende watergangen en beschermingszones.
  • 3. In de toelichting is in de paragraaf "Waterberging" (paragraaf 4.5.9) opgenomen dat een Watervergunning nodig is en dat, indien verbreding van de watergangen plaatsvindt op grond in eigendom van een ander, hiervoor eerst een schriftelijke toestemming van de betreffende eigenaar verkregen dient te worden. De Watervergunning zal separaat bij het waterschap worden aangevraagd.