Inhoud

Hoofdstuk 1 Inleidende regels 1

Artikel 1 Begrippen 1

Artikel 2 Wijze van meten 8

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels 10

Artikel 3 Verkeer - Verblijfsgebied 10

Artikel 4 Wonen 11

Hoofdstuk 3 Algemene regels 15

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel 15

Artikel 6 Algemene bouwregels 15

Artikel 7 Algemene gebruiksregels 16

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels 16

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 17

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels 18

Artikel 11 Algemene procedureregels 19

Artikel 12 Overige regels 20

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 23

Artikel 13 Overgangsrecht 23

Artikel 14 Slotregel 24

Bijlage

Staat van bedrijfsactiviteiten






Hoofdstuk 1            Inleidende regels

Artikel 1                   Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1             plan

het wijzigingsplan 'Dr. Tjalmastraat - Burgemeester van Dijkstraat, Veen' van de gemeente Aalburg.

1.2             wijzigingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand

NL.IMRO.0738. BP6000-VA01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen).

1.3             aan huis verbonden bedrijf

een bedrijf dat in (een gedeelte van ) een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruiker van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is en niet zwaarder is dan een categorie 1 bedrijf als opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.4             aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is waarbij beperkte detailhandel via internet mede is toegestaan.

1.5             aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua vorm, ligging en omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.6             aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.7             aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.8             afhankelijke woonruimte

een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning van de mantelzorger en waarin de zorgbehoevende uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

1.9             afwijken

afwijken als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub c van de Wet ruimtelijke ordening.

1.10        bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.11        bestaand

1      bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van de inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;

2      bij gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan.

1.12        bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.13        bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.14        bijgebouw

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua vorm, ligging en omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.15        bodemingreep

grondwerkzaamheden, waartoe onder meer worden gerekend:

a      het afgraven van grond waaronder ook wordt begrepen het verwijderen van bestaande funderingen en het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;

b      woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden;

c       het verlagen van het waterpeil;

d      het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;

e      het uitvoeren van hei- en/of boorwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;

f        het aanleggen van bos of boomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

g       het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;

h      het aanleggen van nieuwe en/of het vervangen en/of uitbreiden van bestaande (ondergrondse) transport-, energie-, riool- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

1.16        bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.17        bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.18        bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.19        bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.20        bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

1.21        bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.22        bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.23        carport

een overkapping bestemd voor het overdekt stallen van motorvoertuigen.

1.24        dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.25        dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst.

1.26        detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.27        erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.28        eerste bouwlaag

de bouwlaag op de begane grond.

1.29        evenementen

alle voor publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak, waaronder herdenkingsplechtigheden, braderieën, optochten op de weg, feesten, muziekvoorstellingen of wedstrijden op of aan de weg en kleine evenementen waaronder straatfeesten of buurtbarbecue op één dag begrepen.

1.30        gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.31        gebruikelijke zorg

de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.

1.32        hoofdfunctie

een functie waarvoor het hoofdgebouw, en de bijhorende gronden, als zodanig gebruikt mag worden.

1.33        hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meet gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.34        huishouden

één, of meerdere personen, die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid gericht op een duurzaam samenzijn.

1.35        kamerverhuur

het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de kamerhuurder ter plaatse het hoofdverblijf heeft.

1.36        kap

een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30° en minder dan 65° niet zijnde een lessenaarsdak tenzij in de regels en/of de verbeelding een andere regeling is opgenomen in welk geval die regeling geldt.

1.37        lessenaarsdak

een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak over (nagenoeg) de volledige breedte of diepte van een gebouw.

1.38        logies

het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de betreffende huurder het hoofdverblijf elders heeft.

1.39        maaiveld

het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land of de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.

1.40        mantelzorg

langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij het verlenen van ondersteuning rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en die de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger zelf aangeeft in staat te zijn deze ondersteuning te verlenen.

1.41        nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.42        ondergeschikte functie

een functie waarvoor maximaal 30% van de vloeropperlvakte, en de bijhorende gronden, van het hoofdgebouw als zodanig gebruikt mag worden en waarbij voor het overige geldt dat de ondergeschikte functie qua uitstraling en ruimtelijke effect duidelijk kleiner is de uitstraling en het ruimtelijke effect van de hoofdfunctie.

1.43        openbaar toegankelijk gebied

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.44        oprit

het gedeelte van het bouwperceel voor het bereiken van de bij het bouwperceel behorende garage en/of carport en/of andere bij de desbetreffende bestemming behorende gebouwen waar verkeer over rijdt. Een oprit is altijd direct bereikbaar vanaf de openbare weg.

1.45        overkapping

een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het woongenot van het gebouw of de standplaats. Daarbij geldt dat, indien vóór dan wel achter het (verlengde van) de voorgevel van een gebouw wordt gebouwd, het volgende:

1 vóór: het moet een open constructie zijn;

2 achter: maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie behoren.

1.46        paardenbak

een omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of ander doorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport.

1.47        prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.48        seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.49        uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat qua vorm, ligging en omvang ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.50        verbeelding

de analoge en digitale verbeelding van de bestemming(en) bij dit wijzigingsplan.

1.51        wijziging

een wijziging als bedoeld in artikel 3.6 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening.

1.52        woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.53        zijdelingse (bouw)perceelgrens

een niet naar een weg of openbaar gebied gekeerde grens van een bouwperceel.





Artikel 2                   Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1             bebouwingspercentage

het oppervlakte aan gebouwen gedeeld door het oppervlakte van het bouwvlak tenzij dat in de regels anders is bepaald. In dat laatste geval telt de wijze van meten zoals die dan is gegeven.

2.2             dakkapel en goothoogte

Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel.

2.3             de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.4             de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5             de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6             de horizontale diepte van een gebouw

de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd.

2.7             de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8             de oppervlakte van een bodemingreep

het gebied binnen de buitenwerkse grens van de grondwerkzaamheden opwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9             de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.10        ondergeschikte onderdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

2.11        ondergrondse (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk.

2.12        peil

a      voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst of ten hoogste 5 meter uit de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b      voor een bouwwerk die in of op het water worden gebouwd, de hoogte van het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);

c       voor schepen: de waterspiegel;

d      voor bouwwerken op een perceel die in of aan de dijk worden gebouwd en alle andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.





Hoofdstuk 2            Bestemmingsregels

Artikel 3                   Verkeer - Verblijfsgebied

3.1             Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a      verkeer- en verblijfsvoorzieningen in de vorm van ontsluitingswegen, woonstraten, openbare erven, open pleinen, onverharde wegen;

b      parkeervoorzieningen;

c       fiets- en voetpaden;

d      groenvoorzieningen;

e      speelvoorzieningen;

f        nutsvoorzieningen;

g       water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h      fietsenstallingen, (muziek)kiosk, abri’s, straatmeubilair, e.d.

3.2             Bouwregels

3.2.1         Gebouwen

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor het openbare nut, welke voldoen aan de volgende kenmerken:

a      De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

b      De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 50 m².

3.2.2         Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a      De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:

1      voor erfafscheidingen niet meer dan 2 m;

2      voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 m.





Artikel 4                   Wonen

4.1             Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a      wonen;

b      aan huis verbonden beroepen;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen op de eigen oprit (zie hiertoe mede artikel 12.1), groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

4.2             Bouwregels

4.2.1         Algemeen

Het gezamenlijke bebouwingspercentage (van hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) mag per bouwperceel niet meer bedragen dan 75%.

4.2.2         Hoofdgebouwen

Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:

a      gebouwd binnen het bouwvlak;

b      de voorgevel wordt gesitueerd in de voorgevelrooilijn of op een afstand van maximaal 3 m daarachter;

c       afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens is ter plaatse van de aanduiding:

1      'vrijstaand' aan beide zijden minimaal 3 m;

2      ‘twee-aaneen’ aan één zijde minimaal 3 m;

d      Breedte van het hoofdgebouw is ter plaatse van de aanduiding:

1      ‘vrijstaand’ maximaal 15 m;

2      ‘twee-aaneen’ maximaal 10 m;

3      ‘aaneengebouwd’ maximaal 10 m;

e      de goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is aangegeven;

f        de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven;

g       de dakhelling mag niet minder dan 10° en niet meer dan 60° bedragen.

4.2.3         Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, en voldoen aan de volgende kenmerken:

a      Afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3 m;

b      ter plaats van de aanduiding ‘tuin’ mogen uitsluitend ondergeschikte aan- en uitbouwen, zoals erkers, luifels en balkons worden gebouwd, mits;

1      de diepte maximaal 1,5 m bedraagt;

2      de afstand tot de openbare weg minimaal 3 m bedraagt;

3      dit uit verkeerkundig oogpunt niet onaanvaardbaar is;

c       goothoogte maximaal 3,5 m;

d      bouwhoogte maximaal 5,5 m met dien verstande dat:

1      tot 1 m uit de perceelsgrens de maximale bouwhoogte maximaal 4 m bedraagt;

2      tot 2 m uit de perceelsgrens de maximale bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;

3      een uitzondering geldt voor die situaties waarin de kapconstructie in het verlengde ligt van het hoofdgebouw. In dat geval geldt als maximale bouwhoogte de hoogte van het hoofdgebouw minus 1,5 m. De eisen als hiervoor gegeven over de afstand uit de perceelsgrens blijven hierbij wel van kracht;

e      bij vrijstaande hoofdgebouwen dient één der zijstroken vrij van bijgebouwen te blijven tot de lijn evenwijdig aan en op een afstand van 25 m achter de voorgevelrooilijn;

f        gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen voor zover gebouwd buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding ‘tuin’ maximaal:

1      60 m²;

2      voor zover de oppervlakte van het bouwperceel achter de achtergevelrooilijn meer bedraagt dan 200 m², mag de onder 1 genoemde oppervlakte worden vermeerderd met 10% van de overmaat tot in totaal maximaal 90 m²; met dien verstande dat tevens voldaan moet worden aan het bepaalde onder lid 4.2.1.

4.2.4         Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a      De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt:

1      bij erf- en terreinafscheidingen ter plaatse van de aanduiding ‘tuin’ maximaal 1 m, met dien verstande dat bij een open constructie dit 1,5 m mag bedragen;

2      bij erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 2 m;

3      bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 m;

b      reclame-uitingen bij een beroep aan huis en een bedrijf aan huis mogen uitsluitend aan de gevel worden geplaatst tot een oppervlakte van 0,2 m².

4.3             Afwijken van de bouwregels

4.3.1         Afwijken

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3 onder f voor de bouw van aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van mindervaliden tot een gezamelijke oppervlakte van maximaal 100 m2, met dien verstande dat tevens voldaan moet worden aan het bepaalde onder lid 4.2.1.

4.3.2         Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in artikel 4.4.1 kan slechts mits:

a      de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b      het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;

c       voldaan wordt aan de minimale parkeernormering zoals bedoeld in artikel 12.1;

d      door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgeven met betrekking tot de (plan)kosten;

e      de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke onderbouwing.

4.4             Specifieke gebruiksregels

Een aan huis verbonden beroep moet voldoen aan de volgende regels:

a      maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van in totaal 60 m²;

b      degene die de activiteiten uitvoert, is bewoner van de woning;

c       er wordt voldaan aan de minimale parkeernormering zoals bedoeld in artikel 12.1;

d      er is geen detailhandel, uitgezonderd beperkte verkoop als onderschikte activiteit en wel in verband met die activiteit.

4.5             Afwijken van de gebruiksregels

4.5.1         Afwijken

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 4.1:

a      ten behoeve van het toestaan van een aan huis verbonden beroep tot een oppervlakte van 100 m²;

b      ten behoeve van het toestaan van een aan huis verbonden bedrijf in de milieucategorieën 1 en 2, mits;

1      maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van in totaal 30 m²;

2      degene die de activiteiten uitvoert, is bewoner van de woning;

3      er geen detailhandel is, uitgezonderd beperkte verkoop als onderschikte activiteit en wel in verband met die activiteit;

c       voor het toestaan van het gebruik ter plaatse van de aanduiding ‘tuin’ als parkeerplaats voor;

1                                   méér dan 3 auto's;

2                                   het parkeren van auto's voor bewoners en/of bezoekers van niet bij die gronden horende woning;

3                                   het parkeren van kampeerauto's en/of caravans en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen voertuigen voor personengebruik;

4                                   het parkeren voor het hoofdgebouw van de woning;

5                                   het parkeren op een gebied verder dan 2 m uit de oprit.

4.5.2         Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in artikel 4.5.1 kan slechts mits:

a      de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b      het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;

c       voldaan wordt aan de minimale parkeernormering zoals bedoeld in artikel 12.1;

d      door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgeven met betrekking tot de (plan)kosten;

e      de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke onderbouwing.





Hoofdstuk 3            Algemene regels

Artikel 5                   Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.





Artikel 6                   Algemene bouwregels

6.1             Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

De planregels van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:

a      de richtlijnen voor het verlenen van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen;

b      de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;

c       de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;

d      het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen;

e      de ruimte tussen bouwwerken.

6.2             Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot hoogte eerste bouwlaag hoofdgebouw

Aan- uit- en bijgebouwen en overkappingen mogen in afwijking van de bepalingen in hoofdstuk 2 van deze regels in elk geval net zo hoog zijn als de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m.

6.3             Kapvorm

Hoofdgebouwen moeten zijn voorzien van een kap tenzij via een regeling in hoofdstuk 2 en/of de verbeelding anders is bepaald. Indien de bepalingen op de verbeelding omtrent goot- en bouwhoogte gelijke maten geven is in elk geval ook een plat dak toegestaan.

6.3.1         Afwijken

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 6.3 voor het realiseren van een andere kap.

6.3.2         Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in artikel 6.3.1 kan slechts mits:

a      de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b      het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;

c       door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgeven met betrekking tot de (plan)kosten;

d      de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke onderbouwing.

6.4             Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen is toegestaan tot een diepte van 4 m onder peil en op die plaatsen waar bovengronds gebouwd mag worden. De gegeven bestemmingsomschrijving blijft onverminderd van kracht.





Artikel 7                   Algemene gebruiksregels

7.1             Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met in het plan aan de grond gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend:

a      een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;

b      een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;

c       een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie;

d      een gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerverhuur met meer dan 4 personen per woning zoals aanwezig op het moment van ter visielegging van het ontwerp van dit plan aanwezig mogen zijn;

e      het realiseren van nieuwe woningen tenzij dat in de planregels in hoofdstuk 2 nadrukkelijk is toegestaan.





Artikel 8                   Algemene aanduidingsregels

8.1             Milieuzone – zones Wet milieubeheer

Ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – zones Wet milieubeheer’ zijn geluidgevoelige functies niet zijn toegestaan.





Artikel 9                   Algemene afwijkingsregels

9.1             Afwijken van de regels

Het bevoegd gezag kan afwijken van de regels ten behoeve van:

a      het gebruik als afhankelijke woonruimte in een gedeelte van een bestaande (bedrijfs)woning en/of een uit-, aan- of (vrijstaand) bijgebouw bij deze (bedrijfs)woning, mits:

1      een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg (te toetsten aan een door de gemeenteraad vastgestelde mantelzorgnota) met dien verstande dat, indien één van de partners van een paar dat aantoonbaar (middels een huwelijk, geregistreerd partnerschap, dan wel samenlevingscontract) samen leeft mantelzorgbehoevend is, beide partners in aanmerking komen voor het bewonen van een afhankelijke woonruimte;

2      er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;

3      er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen;

4      de afhankelijke woonruimte binnen de geldende regeling inzake aan-, uit-, bijgebouwen en overkappingen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 60 m²;

b      een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning mits:

1      het bouwwerk niet hoger is dan 5 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein;

2      het aantal woningen gelijk blijft;

3      het bouwen niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd en dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden met dien verstande dat kan worden toegestaan dat percelen voor:

-     100% worden bebouwd indien het aansluitende terrein niet groter is dan 150 m²;

-     75% worden bebouwd indien het aansluitende terrein niet groter is dan
250 m²;

c       een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, de telecommunicatie, het openbaar vervoer of het trein-, water-, of wegverkeer:

1      waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 50 m²;

2      dat bestaat uit één bouwlaag, en

3      dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m;

d      een bouwwerk, geen gebouw zijnde:

1      waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 50 m², en

2      dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 10 m;

e      een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw;

f        het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar per locatie en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen;

g       in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;

h      het vergroten van de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw met 3 m;

i        het verbreden en/of verdiepen van een hoofdgebouw met maximaal 5 m ten opzichte van het op de verbeelding aangegeven bouwvlak voor het hoofdgebouw;

j        het overschrijden van bouwgrenzen tot maximaal 2,5 m mits dit noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;

k      het overschrijden van de voorgevel dan wel voorgevelrooilijn met bebouwing;

l        het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten tot maximaal 40 m;

m    het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;

n      het bouwen van hekwerken tot maximaal 2 m hoog en lichtmasten tot maximaal
4 m.

9.2             Intrekken omgevingsvergunning voor het afwijken

Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning voor het afwijken, verleend op grond van het artikel 9.1 met betrekking tot het gebruik als afhankelijke woonruimte in, indien de bij het afwijken bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is of indien de omstandigheden waaronder is afgeweken zijn gewijzigd.

9.3             Voorwaarden voor afwijken

Afwijken als bedoeld in artikel 9.1 kan slechts mits:

a      de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

b      het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad;

c       door initiatiefnemer een zekerheidstelling is afgeven met betrekking tot de (plan)kosten;

d      de afwijking voorzien wordt van een ruimtelijke onderbouwing.





Artikel 10               Algemene wijzigingsregels

10.1        Geringe veranderingen bestemmingsgrenzen.

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in de vorm van het aanbrengen van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen.

10.2        Verwijderen aanduiding ‘milieuzone - zones Wet milieubeheer’

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de aanduiding ‘milieuzone-zones Wet milieubeheer’ aanpassen of verwijderen indien de hindercirkel als gevolg van de hinderlijke bedrijfsactiviteiten aan de Witboomstraat 54 wijzigt of komt te vervallen.

10.3        Uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan

De uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan moet zijn gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden:

a      de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;

b      het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad;

c       dat het wijzigingsplan milieutechnisch aanvaardbaar is;

d      dat het wijzigingsplan past in een goede waterhuishouding;

e      dat het wijzigingsplan inpasbaar is in het volkshuisvestingsprogramma indien het gaat om woningbouw;

f        dat het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is;

g       verhaal van gemeentelijke (plan-)kosten is zeker gesteld;

h      dat het wijzigingsplan stedenbouwkundig inpasbaar is.





Artikel 11               Algemene procedureregels

11.1        Procedure voor nadere eis

Op de voorbereiding van een besluit tot nadere eis is de volgende procedure van

toepassing:

a      een ontwerp van het besluit ligt met de bijbehorende stukken gedurende 6 weken op het gemeentehuis ter inzage;

b      burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging vooraf bekend in een of meer dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente worden verspreid, en voorts op de gebruikelijke wijze;

c       de bekendmaking houdt de mededeling in van de bevoegdheid tot het indienen van zienswijzen;

d      gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij burgemeester en wethouders schriftelijk of mondelinge zienswijzen indienen omtrent het ontwerp van het besluit.





Artikel 12               Overige regels

12.1        Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

12.1.1     Wonen

Voor wat betreft de functie wonen moet per woning ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Per woning is hiervoor minimaal 1,8 parkeerplaatsen te realiseren, waarvan 1 parkeerplaats op eigen terrein bij vrijstaande en twee-aaneen woningen.

12.1.2     Parkeren

De in artikel 12.1.1 bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:

a      indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5 m in geval van kops parkeren en 2,5 x 6 m bij langsparkeren bedragen;

b      indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,5 m bij 6 m bedragen.

12.1.3     Laden en lossen

Indien het gebruik of de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, overeenkomstig de publicatie Notitie Parkeren Aalburg-Woudrichem-Werkendam van 23 februari 2011 opgenomen normen.

12.1.4     Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van het bepaalde in artikel 12.1.1, artikel 12.1.2 en artikel 12.1.3 indien dit noodzakelijk is om een goede verkeersstructuur en/of bereikbaarheid voor een pand, perceel, straat (of deel daarvan) dan wel een andere ruimtelijke-functionele structuur te waarborgen.

12.1.5     Afwijken

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 12.1.1, artikel 12.1.2 en artikel 12.1.3:

a      indien het voldoen aan die regels door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b      voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

12.2        Paardenbak

12.2.1     Verbod

Het is verboden om een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een van het bevoegd gezag, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen ten behoeve van het aanleggen en/of gebruiken van gronden ten behoeve van een paardenbak.





Hoofdstuk 4              Overgangs- en slotregels

Artikel 13               Overgangsrecht

13.1        Overgangsrecht bouwwerken

a      Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1      gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b      Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.

c       Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.2        Overgangsrecht gebruik

a      Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b      Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

c       Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

d      Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.





Artikel 14               Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het wijzigingsplan 'Dr. Tjalmastraat - Burg. van Dijkstraat, Veen'.

Rosmalen, november 2012 vastgesteld: 6 november 2012